Voor de heffing van OZB wordt onderscheid gemaakt tussen woningen en niet-woningen. Zo wordt voor ‘woningen’ een lager tarief gehanteerd voor de eigenaarsheffing en wordt er geen gebruikersheffing geheven van gebruikers van ‘woningen’. Als een object niet kwalificeert als woning, maar delen daarvan wel in hoofdzaak dienen als woning of in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden geldt de woondelenvrijstelling. Dit houdt in dat de maatstaf van de gebruikersheffing voor de OZB wordt verminderd met de waarde van deze delen.

Hof den Bosch deed recent in twee zaken uitspraak over de vraag of een recreatiepark als geheel als ‘woning’ voor de OZB kan worden aangemerkt. In de eerste zaak ging het met name om de vraag of ook onbebouwde delen van een recreatiepark, waar al wel voorzieningen voor toekomstige recreatiewoningen aanwezig zijn, in hoofdzaak tot woning kunnen dienen. Het betrof kavels waar al wel voorzieningen als elektriciteit, water, riool, gas en televisie zijn aangebracht, maar waarop zich nog geen opstal bevindt (‘kavels met woonvoorzieningen’). Het Hof oordeelt dat deze delen niet kunnen worden aangemerkt als woning of woondeel. Dit kan alleen als sprake is van een bouwwerk of ten minste is gestart met de bouw (een woning in aanbouw). Het Hof zoekt bij de beoordeling van deze vraag aansluiting bij de HR, in arresten gewezen voor de IB en de OZB. In de zaak voor het Hof leidde dit oordeel ertoe dat het recreatiepark kwalificeerde als niet-woning waardoor de eigenaarsheffing OZB tegen het hogere tarief berekend werd en gebruikersheffing verschuldigd was voor de delen die niet kwalificeerde als woning.

In de andere zaak voor het Hof kwam de vraag op in hoeverre recreatiewoningen op zichzelf kunnen kwalificeren als ‘woning’ nu er niet duurzaam verbleven wordt en sprake is van volgtijdig gebruik. Het Hof memoreert, in lijn met de uitspraak van de HR waar wij u in nieuwsbrief 31 over informeerden, dat de recreatiewoningen desondanks blijkens hun faciliteiten en voorzieningen bestemd zijn om daarin te verblijven, te slapen en de overige woonfaciliteiten en voorzieningen te gebruiken, waardoor de recreatiewoningen op zichzelf beschouwd naar aard en inrichting zowel bestemd als geschikt om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen en daarmee kwalificeren als ‘woning’.