Wanneer de rechtbank de procedure van gerechtelijke reorganisatie met het oog op de overdracht onder gerechtelijk gezag voor een onderneming in moeilijkheden voor geopend verklaart, verleent zij hierbij een bepaalde periode van opschorting waarbinnen de overdracht gerealiseerd dient te worden. 

Indien deze periode van opschorting niet voldoende blijkt te zijn om de overdracht te realiseren, kan de rechtbank krachtens artikel 38, §1, lid 1 van wet continuïteit ondernemingen (‘WCO’) op verzoek van de schuldenaar en op verslag van de gedelegeerd rechter de verleende opschorting verlengen voor de duur die zij bepaalt.

In het kader van de overdracht bepaalt artikel 60, lid 1 WCO dat het vonnis dat de overdracht beveelt, een gerechtsmandataris aanwijst die wordt gelast met het organiseren en realiseren van de overdracht in naam en voor rekening van de schuldenaar. Het bepaalt het voorwerp van de overdracht of laat die bepaling over aan het oordeel van de gerechtsmandataris.

In het kader van een gerechtelijke reorganisatie met het oog op de overdracht onder gerechtelijk gezag besliste het Hof van Cassatie in zijn arrest van 25 januari 2013 dat wanneer de rechtbank overeenkomstig artikel 60 de overdracht beveelt en een gerechtsmandataris aanwijst om de overdracht te realiseren in naam en voor rekening van de schuldenaar, deze gerechtsmandataris bevoegd is om een verlenging van de termijn van opschorting te vragen krachtens artikel 38, § 2 en dit ongeacht de mogelijkheid tot verlenging bedoeld in artikel 60, lid 2 WCO. 

Uit deze rechtspraak blijkt dus dat in het kader van een gerechtelijke reorganisatie met het oog op een overdracht onder gerechtelijk gezag, de aangestelde gerechtsmandataris de bevoegdheid heeft de rechtbank om verlenging van de opschorting te verzoeken. Het is echter wel zo dat dit geen exclusieve bevoegdheid betreft en dat de schuldenaar zelf ook nog bevoegd blijft om de rechtbank om een verlenging van de opschorting te verzoeken.