Onlangs is Advies 319 van de Commissie van Aanbestedingsexperts gepubliceerd. De beklaagden waren niet bereid om de waarde van de opdrachten in kwestie te onderbouwen. De Commissie voelde zich daarom genoodzaakt een expert in te schakelen om de waarde van de opdrachten te onderzoeken.

In de betreffende zaak hebben drie aanbestedende diensten gezamenlijk een Europese niet-openbare aanbestedingsprocedure gehouden voor de levering van ongevallenverzekeringsdiensten. Vóór die procedure hebben diezelfde aanbestedende diensten gezamenlijk een meervoudige onderhandse procedure gehouden voor de organisatie van die Europese ongevallenverzekeringsaanbesteding (opdracht 1). Opdracht 1 is door elke aanbestedende dienst afzonderlijk aan X gegund. Daarnaast hebben de aanbestedende diensten afzonderlijk een opdracht voor het contractmanagement van de uit de Europese ongevallenverzekerings- aanbesteding voortvloeiende verzekeringsovereenkomst enkelvoudig onderhands gegund aan X (opdracht 2).

De eerste klacht richt zich tegen het verstrekken van opdracht 1 en 2 aan X. Klager meent dat de beklaagden in strijd met de Aanbestedingswet 2012 en de Gids Proportionaliteit deze opdrachten onderhands aan X hebben verleend. Onder meer zou de opdracht voor de organisatie van de Europese ongevallenverzekeringsaanbesteding en het contractmanagement van de verzekeringsovereenkomst kunstmatig zijn gesplitst met het doel onder de toepasselijke drempelwaarde voor Europese aanbestedingen te blijven (in 2015 € 207.000). Ondanks verzoeken daartoe door klager hebben de beklaagden geweigerd de totale opdrachtwaarde, alsmede de waarde per beklaagde, bekend te maken omdat deze informatie commercieel gevoelig zou zijn. Klager vermoedt dat de waarde van de aan X gegunde opdrachten de drempelwaarde overschrijdt en dat beklaagden daarom gehouden waren deze opdrachten Europees aan te besteden.

Volgens beklaagden is de klacht ongegrond. Er zou volgens beklaagden sprake zijn van twee afzonderlijke opdrachten en niet van een ontoelaatbare splitsing van één opdracht in twee opdrachten. De waarde van opdracht 1 en de waarde van opdracht 2 hoeven volgens beklaagden niet bij elkaar te worden opgeteld. Ook indien de waarden wel bij elkaar zouden worden opgeteld, ligt volgens beklaagden de totale waarde ver beneden de drempelwaarde. De vergoeding voor opdracht 1 en 2 gezamenlijk is gemaximeerd en per beklaagde respectievelijk € 25.000, € 50.000 en € 25.000.

Het klachtonderdeel wordt door de Commissie kortweg samengevat tot de vraag of beklaagden opdracht 1 en 2 Europees hadden moeten aanbesteden met inachtneming van de Aanbestedingswet 2012. De Commissie overweegt eerst dat beklaagden een overheidsopdracht niet mogen splitsen met het oogmerk zich aan de toepassing van deel 2 van de Aanbestedingswet 2012 te onttrekken. Ook mag de berekeningsmethode van de geraamde waarde er niet toe leiden dat een opdracht aan de werkingssfeer van deel 2 van de Aanbestedingswet 2012 wordt onttrokken. Voorts mag de afbakening van de opdracht niet zijn ingegeven door de behoefte de opdracht niet Europees te hoeven aanbesteden. Nadat de Commissie vaststelt dat de totale waarde van opdracht 1 en 2 volgens beklaagden € 100.000 bedraagt, overweegt zij als volgt:

De Commissie betreurt het dat beklaagde zich niet bereid heeft getoond de waarde van de opdrachten nader te onderbouwen naar aanleiding van de bedenkingen van klager. Als gevolg hiervan heeft de Commissie zich genoodzaakt gevoeld op dit punt na de zitting alsnog een expert in te schakelen. Het komt de Commissie voor dat wanneer ervan mag worden uitgegaan – zoals zij voorshands doet – dat bestuursorganen met de statuur van beklaagden zich aan de vigerende aanbestedingsrechtelijke wet- en regelgeving houden en ter zake dus niets te verbergen hebben, zichzelf een slechte dienst bewijzen door zo weinig transparant te zijn over hun – met overheidsmiddelen gefinancierde – activiteiten.

Vervolgens acht de Commissie het op basis van de beperkt beschikbare informatie en de analyse daarvan door de ingeschakelde expert voorshands aannemelijk dat de gezamenlijke waarde van opdracht 1 en 2 de Europese drempelwaarde niet overschrijdt. De klacht is daarmee ongegrond.

Wat dit advies opmerkelijk maakt is dat de Commissie, nu beklaagden niet bereid waren de waarde van de opdrachten te onderbouwen, op eigen initiatief een expert heeft ingeschakeld om deze waarde te berekenen.