Onwelgevallige procesbeslissingen zijn in het bestuursprocesrecht niet zelfstandig aanvechtbaar. Wanneer een bestuursrechter, bijvoorbeeld, tegen de zin van een partij een zaak verdaagt, een getuige niet oproept, bepaalde bewijsmiddelen niet accepteert of een pleidooi aan het begin van de zitting niet toestaat, kan daartegen alleen worden opgekomen in het kader van een hoger beroep.

Wanneer dergelijke beslissingen in hoogste instantie aan de orde zijn, bestaat er in het geheel geen rechtsmiddel (de alleen in theorie bestaande mogelijkheid van een geslaagde civiele procedure uit onrechtmatige rechtspraak tegen de staat en het klachtrecht daargelaten).

Op zich valt er het nodige te zeggen voor deze beperkte aanvechtbaarheid van procesbeslissingen. Het zou een procedure namelijk kunnen vertragen wanneer elke procesbeslissing zelfstandig aanvechtbaar is. Het streven naar een snelle en efficiënte rechtsgang zou daarmee in het gedrang kunnen komen. Dit geldt temeer nu misbruik niet uitgesloten kan worden. Ervaringen met de wel bestaande mogelijkheid een rechter te wraken wijzen ook in die richting, zij het dat er wel de nodige mogelijkheden bestaan hieraan paal en perk te stellen.

Tegelijk laat de praktijk van de afgelopen jaren – met name sinds de invoering van de nieuwe zaaksbehandeling – zien dat er bij partijen wel een serieuze behoefte bestaat om procesbeslissingen te laten toetsen voordat een zaak verder wordt behandeld. Daarvoor wordt vaak gegrepen naar het instrument van de wraking. Gesteld wordt dan dat als gevolg van het nemen van een bepaalde procesbeslissing de partijdigheid van de betreffende rechter(s) is gebleken. Zo zijn er wrakingsverzoeken ingediend vanwege de rechterlijke beslissing: om een zitting te laten beginnen met het stellen van vragen en niet met een pleidooi (ECLI:NL:CRVB:2014:1518), om niet in te gaan op in een vertrouwelijke brief neergelegde verzoeken (ECLI:NL: RBZWB:2013:7031), het pas tijdens de zitting uitleggen van de gang van zaken in het kader van de nieuwe zaaksbehandeling (ECLI:NL:RBAMS:2013:8995), het verdagen van een mondelinge behandeling (ECLI:NL:RBGRO: 2012:BY8240), de weigering van toestemming een zitting met video op te nemen (ECLI:NL:RVS:2013BZ0709), de beslissing om getuigen op te roepen (ECLI:NL:RBARN: 2012:BX2312), het tijdens de zitting niet ingaan op bepaalde beroepsgronden (ECLI:NL:RBZLY: 2011:BW1437), het in het kader van de nieuwe zaaksbehandeling betrekken van andere procedures bij de voorliggende zaak (ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6565) en het niet langer wachten op een advocaat alvorens met de mondelinge behandeling van een zaak te beginnen (ECLI:NL:RBROT:2013:CA2207).

Al deze wrakingsverzoeken zijn – vanzelfsprekend – afgewezen. Volgens vaste jurisprudentie is het instrument van wraking namelijk niet bedoeld als rechtsmiddel tegen dit soort procesbeslissingen. Alleen in het hele uitzonderlijke geval dat processuele beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat daaruit een zwaarwegende aanwijzing kan worden afgeleid voor de partijdigheid van de betrokken rechter(s) is dat anders (ECLI:NL:RVS:2007:BA3209; ECLI:NL:CRVB:2004:AO5507).

Toch komt de vraag op of er niet nagedacht zou moeten worden over het mogelijk maken van een zelfstandige toetsing van dergelijke procesbeslissingen hangende een procedure (zie ook Koenraad & Verbeek, JB-plus 2014, p. 54 e.v.). Bij partijen blijkt er mede gelet op de hiervoor geschetste wrakingspraktijk een behoefte aan te bestaan, hetgeen logisch is omdat dergelijke beslissingen een belangrijke invloed kunnen hebben op de uitkomst van een zaak. Aan het verwijzen van deze toetsing naar het hoger beroep kleeft het bezwaar dat er dan een instantie ‘verloren’ gaat met alle tijdverlies van dien. Daar komt bij dat toetsing van in hoogste instantie genomen procesbeslissingen nu helemaal niet aan de orde is. Verder heeft de rechter in het kader van de nieuwe zaaksbehandeling een veel grotere vrijheid gekregen om de procedure naar eigen goeddunken in te richten (vergelijk de aanbevelingen van het Landelijk Symposium NZB d.d. oktober 2012). Het ligt in de lijn der verwachting dat er daardoor ook meer discussie zal ontstaan over procesbeslissingen. Zou deze grotere vrijheid van de rechter – die te prijzen is omdat daarmee maatwerk kan worden geleverd – niet gepaard moeten gaan met ruimere controlemogelijkheden ten aanzien van diens beslissingen? Daarmee zou ook de legitimiteit van de procedure kunnen zijn gediend.

Gelet daarop is het nader onderzoeken van de mogelijkheid om een zelfstandige toetsing van procesbeslissingen in te voeren de moeite waard. Daarmee is niet gezegd dat dit geen complexe afwegingen vraagt. Zo zou het vraagstuk van misbruik om procedures te frustreren de volle aandacht vergen. Tegelijkertijd zijn er best modaliteiten denkbaar waarmee problemen op dit punt kunnen worden voorkomen. Een denkrichting zou kunnen zijn het uitbreiden van de taken van de al bestaande wrakingskamers met de toetsing van een beperkt aantal in de wet op te sommen procesbeslissingen (deze zou dan wrakings- en procesinstructiekamer kunnen gaan heten). Daarbij zou het moeten gaan om beslissingen die daadwerkelijk de uitkomst van een procedure kunnen beïnvloeden. Dan zou, bijvoorbeeld, wel toetsbaar zijn de beslissing een bepaalde getuige al dan niet te horen terwijl dat niet aan de orde zou zijn als het gaat om het niet verlenen van toestemming om video-opnamen van een zitting te maken. Eventueel zou deze kamer ook de bevoegdheid moeten krijgen om in het kader van de redelijke termijn instructies te geven aan de behandelende rechter(s). Idealiter zouden procesbeslissingen zoveel mogelijk plaatsvinden in het kader van een regiezitting die aan het begin van een procedure plaatsvindt en waarbij de rechter het dossier al moet hebben bestudeerd. Ontstaat daarbij discussie over een procesbeslissing dan zou de wrakings- en procesinstructiekamer snel beschikbaar moeten zijn, hetgeen overigens ook geldt bij beslissingen verderop in de procedure. Wellicht kan deze handschoen worden opgepakt in het kader van het KEI-project waarbij dan ook het civiele recht zou kunnen worden betrokken.