Op 27 juni 2017 is de Herstelwet financiële markten 2017 (“Herstelwet”) in werking getreden. De Herstelwet herstelt gebreken en omissies, opgetreden bij de implementatie van Europese regelgeving op het terrein van de financiële markten. Ook enkele bepalingen uit Boek 2 BW zijn bij de Herstelwet gewijzigd.

De eind 2015 in werking getreden Implementatiewet Europees kader voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen (“Implementatiewet”) geeft de nationale toezichthouder de benodigde instrumenten en bevoegdheden om in te kunnen grijpen wanneer een bank of beleggingsonderneming in problemen verkeert. Onderdeel van deze Implementatiewet is de mogelijkheid voor beursgenoteerde banken en beleggingsondernemingen om de oproepingstermijn voor de algemene vergadering waarin wordt besloten over een aandelenuitgifte op grond van het in de Implementatiewet voorgeschreven herstel op grond van de statuten te verkorten (artikel 2:115 lid 3 en 4 BW). De oproepingstermijn kan in dit geval worden verkort van tweeënveertig dagen voor de algemene vergadering tot de tiende dag voor die van de vergadering. De Herstelwet bepaalt dat ook niet-beursgenoteerde banken en beleggingsondernemingen, die een oproepingstermijn van vijftien dagen voor de algemene vergadering kennen, in afwijking van deze oproepingstermijn van deze mogelijkheid gebruik kunnen maken.

Indien een beursgenoteerde bank of beleggingsonderneming een algemene vergadering oproept met toepassing van artikel 2:115 lid 3 BW, is de registratiedatum van 28 dagen voor de dag van de algemene vergadering uit artikel 2:119 lid 2 BW, niet van toepassing (artikel 2:117b lid 5 BW en 2:119 lid 4 BW). In plaats daarvan moet de bank of beleggingsonderneming voor dat geval een registratiedatum in de statuten vastleggen. Artikel 2:119 lid 4 BW is in de Herstelwet nu zo gewijzigd dat deze regeling ook van toepassing is op een bank of beleggingsonderneming zonder beursnotering (die er normaal gesproken voor kunnen kiezen een registratiedatum te gebruiken).