Werknemer is in 2008 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij werkgever in dienst getreden. Deze arbeidsovereenkomst is tweemaal verlengd. In februari 2011 sluiten partijen een vierde arbeidsovereenkomst, ditmaal voor onbepaalde tijd. Aan deze arbeidsovereenkomst koppelen partijen een vaststellingsovereenkomst waarin is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd per 1 januari 2012 zal eindigen. Werkgever wilde geen nieuwe arbeidsovereenkomst aanbieden als niet tevoren was afgesproken op welke datum deze zou aflopen. Werknemer aanvaardt dit aanbod.

Strijd met de ketenregeling?

Later stelt werknemer zich op het standpunt dat de afspraak nietig is wegens strijd met de ketenregeling en dat zijn instemming met de vaststellingsovereenkomst tegen zijn wil door de werkgever is afgedwongen. De ketenregeling houdt kortgezegd in dat na een aantal bepaalde tijd contracten of na verloop van tijd, de laatste arbeidsovereenkomst in de reeks van rechtswege een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt.

Werknemer vordert een verklaring voor recht dat de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst per 1 januari 2012 nietig is en dat hij recht heeft op doorbetaling van zijn loon. Werkgever stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2012 is geëindigd.

Oordeel kantonrechter

De kantonrechter oordeelt dat het partijen niet vrij staat om bij overeenkomst af te wijken van de ketenregeling en stelt de werknemer in het gelijk. De enige reden die aan de vaststellingsovereenkomst ten grondslag ligt, is het uitsluiten van de gevolgen van de ketenregeling. Het aanvaarden van die mogelijkheid zou de ketenregeling – die bedoeld is om werknemers te beschermen – zinloos maken. Het bewust aangaan van een overeenkomst die tot oogmerk heeft om een door de wetgever aan de werknemer geboden dwingendrechtelijke bescherming te omzeilen, is nietig wegens strijd met de openbare orde en/of de goede zeden, aldus de kantonrechter.

Werkgever stelt hoger beroep in

Werkgever kan zich niet vinden in het oordeel van de kantonrechter en gaat in beroep. Het standpunt van werkgever komt er op neer dat werknemer altijd zou hebben gezegd dat hij op zijn 61ste jaar met vroegpensioen zou willen gaan. Eind november 2010 blijkt echter dat dit voor werknemer niet mogelijk is. Om werknemer bij deze tegenvaller tegemoet te komen en hem tijd te gunnen om een nieuwe baan te zoeken, zijn partijen overeengekomen dat partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zouden aangaan, waarbij zij tevens een vaststellingsovereenkomst zouden sluiten waarin werd afgesproken dat de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2012 zou eindigen. Volgens werkgever was de werknemer blij met deze afspraken en kon hij hiermee instemmen. Werknemer heeft het standpunt van werkgever betwist en de overwegingen van de kantonrechter als juist beoordeeld.

Oordeel Hof

Het Hof te ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de vaststellingsovereenkomst kennelijk gesloten is ter voorkoming van een (toekomstige) onzekerheid of geschil over hetgeen tussen partijen geldt, nu partijen zekerheid wensten over het einde van de arbeidsovereenkomst en gezien de achtergrond van het aanbod aan werknemer om nogmaals een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Gelet op de wet, is een vaststelling ter beëindiging van onzekerheid of geschil op vermogensrechtelijk gebied ook geldig als deze in strijd mocht blijken met dwingend recht, tenzij deze tevens naar inhoud of strekking in strijd komt met de openbare orde of de goede zeden.

Het Hof komt tot het oordeel dat voor zover in dit geval al sprake zou zijn van strijd met dwingend recht, de overeenkomst dus toch geldig is. Dat de overeenkomst in strijd zou zijn met de openbare orde of de goede zeden, heeft de werknemer niet onderbouwd. Het door de kantonrechter gegeven oordeel is daarom onjuist. In de praktijk komt dit erop neer dat de laatste arbeidsovereenkomst met de vaststellingsovereenkomst per 1 januari 2012 rechtsgeldig is geëindigd: werkgever wordt dus in het gelijk gesteld.

Conclusie

De bescherming van de werknemer is in Nederland een groot goed, zo ook de ketenregeling. Door de hantering van bovengenoemde constructie omzeilt de werkgever de ketenregeling en wordt de beschermingsgedachte van de ketenregeling in feite gepasseerd. Dit kan in mijn ogen nooit de bedoeling van de wetgever zijn geweest. Het is derhalve maar de vraag of het arrest van het Hof in een eventuele cassatieprocedure bij de Hoge Raad stand zal houden. Blijft u dus toch voorzichtig met constructies als hierboven beschreven, die de ketenregeling en daarmee de arbeidsrechtelijke bescherming van de werknemer omzeilen.