Het lijkt erop dat het economisch herstel is ingezet. Het tij voor de bouwsector is echter nog niet gekeerd. Nog steeds overtreft het (bestaande) aanbod de vraag en zijn de financieringsmogelijkheden beperkt. Ook verandert de vraag van de markt sneller dan voorheen. Innovatie en kostenefficiëntie moeten de bouwsector weer vlot trekken. Een belemmerende factor daarbij lijkt het Bouwbesluit te zijn en met name het rigide karakter van dat Bouwbesluit; niet of nauwelijks wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om flexibel met het Bouwbesluit om te gaan. Bovendien heeft het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) berekend dat het Bouwbesluit van 2012 ten opzichte van het Bouwbesluit 2003 heeft geleid tot € 500 miljoen aan maatschappelijke kosten. In het recente rapport van het Actieteam praktijktoepassing Bouwbesluit ‘Flexibel omgaan met bouwregelgeving’ wordt opgeroepen om vaker gebruik te maken van het zogeheten ‘gelijkwaardigheidsbeginsel’ dat is opgenomen in het Bouwbesluit. Het gelijkwaardigheidsbeginsel zou niet alleen vaker moeten worden toegepast, maar in dat kader zouden gemeenten moeten worden begeleid bij toepassing van dat beginsel door een Raad voor nationale bouwregelgeving.

Het gelijkwaardigheidsbeginsel is het beginsel dat andere, innovatieve oplossingen en technieken ook acceptabel zijn, mits eenzelfde niveau van veiligheid en/of bescherming wordt gerealiseerd. Ook in het concept van de Omgevingswet, welke wet in 2018 van kracht zou moeten worden, wordt een prominente plek toegekend aan het gelijkwaardigheidsbeginsel, met als doelstelling om meer ruimte te krijgen om een activiteit naar eigen inzicht uit te voeren. Dit zou de flexibiliteit vergroten en de zoektocht naar innovatieve en omgevingsvriendelijke technieken stimuleren. In de Omgevingswet zou dit moeten komen te gelden voor planologische, bouwtechnische, maar ook voor milieuvraagstukken.

Het Bouwbesluit kent dus al de mogelijkheid om het gelijkwaardigheidsbeginsel toe te passen, maar in de praktijk wordt daar niet of nauwelijks gebruik van gemaakt. Of de initiatiefnemer van een plan wordt niet geloofd als het gaat om de uiteenzetting van een gelijkwaardige toepassing, of de kennis en kunde ontbreekt aan de zijde van gemeenten.

De regels worden dus niet, onduidelijk en te rigide toegepast. Het Actieteam stelt een adviesraad voor die met voldoende gezag en expertise kan aangeven of sprake is van een gelijkwaardige oplossing. Primair zou dat moeten gaan gelden voor de uitleg van het Bouwbesluit, maar de raad ziet voor zichzelf ook een toekomstige rol weggelegd in het kader van geluid, geur, luchtkwaliteit, etc. Het blijft een advies, waarbij ook sterk zal worden gekeken naar de geest van de wetgeving en niet alleen naar de letter. Gedachte is dat daardoor vaker gebruik zal worden gemaakt van het gelijkwaardigheidsbeginsel, meer uniform gebruik wordt gemaakt van dat beginsel en dat door middel van precedenten kan worden gedaan aan verwachtingenmanagement. Het is wel aan de initiatiefnemers om hun case te onderbouwen.

Is dit de haarlemmerolie die noodzakelijk is om te komen tot innovatie en kostenefficiëntie? Ja en nee. In de eerste plaats lijkt met deze benadering voorbij te worden gegaan aan het feit dat sterkere deregulering dan thans het geval is zeer wenselijk is. Het zogeheten ‘ontslakken’ van de wet- en regelgeving. Daar is mee begonnen en daarmee moet worden doorgegaan.

Ten tweede, als het EIB becijfert dat het verschil tussen het Bouwbesluit van 2003 en 2012 € 500 miljoen zou zijn, exclusief de kostenbesparing van deregulering van de toetsing, mag toch ook wel de vraag worden gesteld of alle wijzigingen die zijn doorgevoerd in het Bouwbesluit 2012 ten opzichte van 2003 echt nuttig en noodzakelijk waren. Leggen wij de lat van de kwalitatieve normering niet onnodig hoog; kan het af en toe niet met een onsje minder? Dit geldt zowel in het planologisch traject met betrekking tot de bouwregelgeving, maar ook in het milieurechtelijk traject.

In de derde plaats zal de wettelijke verankering van het gelijkwaardigheidsbeginsel nadere aandacht verdienen. Het handelen in strijd met de letter van de wet, maar wel in de geest van de wet, zal bij een bestuursrechter – anders dan het Actieteam stelt – niet altijd mogelijk zijn; het rechtszekerheidsbeginsel speelt ten slotte ook een rol.

Verder is het gelijkwaardigheidsbeginsel in de Omgevingswet wellicht ook een compensatiebeginsel. Iets meer geuremissie hier mag, mits dat wordt gesaldeerd met een stukje geluidsisolatie elders; de proeve van de Omgevingswet is daar niet duidelijk over, maar hier en daar wordt wel aangenomen of betoogd dat dat zou moeten kunnen. Hoe geef je dat handen en voeten? Hoe zwaar weegt geur ten opzichte van geluid? Zijn dat wel communicerende vaten en wat gebeurt er als daar ook de veiligheid en de volksgezondheid aan worden gekoppeld?

Kort en goed: voor wat betreft bouwregelgeving mag af en toe best de vraag zijn of het met een onsje minder toe kan, los van de vraag of door toenemende kennis en kunde, gesteund door een expertisecentrum, het gelijkwaardigheidsbeginsel vaker een oplossing kan bieden. Vanuit de gedachte om een rol te spelen in het kerend economische tij lijkt dat wel van belang. Aanmerkelijk lastiger is het om het gelijkwaardigheidsbeginsel goed te verankeren in de toekomstige Omgevingswet, zeker daar waar het de omgevingsrechtelijke aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit, etc. betreft en de daarbij behorende compensatie gedachte. Daar lijkt snel de wal het schip te keren, waarbij de wal het rechtszekerheidsbeginsel is en het schip het gelijkwaardigheidsbeginsel.