De regels over houtopstanden uit de Boswet gaan op 1 januari 2017 op in de nieuwe Wet natuurbescherming (“Wnb”). De Wnb zal hierbij voornamelijk een voortzetting zijn van de bestaande regelgeving. Nadat we eerder hebben stilgestaan bij de regelgeving over houtopstanden onder Wnb op hoofdlijnen, staan in deze blog de uitzonderingen op de herbeplanting- en meldingsplicht centraal.

Houtkap ten behoeve van natuurontwikkeling

In en rondom Natura 2000-gebieden kan het in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten noodzakelijk zijn om bosareaal om te vormen tot andere natuur. De omvorming van bosareaal kan er voor zorgen dat de natuurwaarden die horen bij de betrokken habitats worden gerealiseerd of functies verkrijgen ter ondersteuning van de betrokken soorten – zoals foerageergebieden. De omvorming van het bos wordt dan aangemerkt als een instandhoudingsmaatregel in de zin van artikel 6 lid 1 van de Habitatrichtlijn. Velling van bos kan echter ook een mitigerende maatregel zijn die als voorwaarde is verbonden aan een vergunning voor een project ter voorkoming van mogelijk significante effecten voor een Natura 2000-gebied of voor een ontheffing in het kader van de soortenbescherming, ingeval wordt voorzien in compensatie op een andere plek. Vellen van bos kan daarnaast ook wenselijk zijn voor de aanleg van brandgangen met het oog op brandpreventie, welke preventie van wezenlijk belang is voor het natuurbelang.

Generieke vrijstelling

Een te strike toepassing van de herbeplantingsplicht zou in de voornoemde gevallen natuurbehoud en natuurontwikkeling afremmen en zou de vergunning- en ontheffingverlening voor belangrijke economische ontwikkelingen onnodig kunnen belemmeren. Het kabinet heeft het daarom wenselijk geacht om voor deze situaties te voorzien in een generieke uitzondering op de herbeplantingsplicht (artikel 4.4 lid 1 Wnb). Voor deze gevallen hoeft in het geheel geen herbeplanting plaats te vinden. Op deze wijze wordt voorkomen dat voor deze situaties telkens individuele ontheffingen moeten worden aangevraagd, terwijl het bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor de maatregelen ten behoeve van natuurbehoud en –ontwikkeling ook het bevoegd gezag is voor de ontheffing van de meldings- en de herbeplantingsplicht (veelal gedeputeerde staten). Bij projecten wordt de omvorming van de houtopstand in een Natura 2000-gebied tot andere natuurwaarden bovendien getoetst in het kader van de voorgeschreven passende beoordeling (artikelen 2.7 en 2.8 Wnb).

Gedragscode

Naast de generieke vrijstelling in gevallen waarin houtopstanden worden geveld ten behoeve van natuurontwikkeling, is er in de Wnb ook een vrijstelling ingeval het vellen en het herbeplanten van de houtopstanden plaatsvindt overeenkomstig een door de Minister van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode (artikel 4.4 lid 1 sub d Wnb). Een gedragscode wordt opgesteld door de betrokken bedrijfstak of beroepsgroep en biedt daarmee een instrument voor initiatieven uit de praktijk (Kamerstukken I 2015/16, 33 348 D, p. 2). Indien aan de gedragscode wordt voldaan kan namelijk voor een initiatief een vrijstelling van de herbeplantingsplicht ontstaan. Het verschil met de gedragscode onder de Boswet is dan ook dat de gedragscodes onder de Wnb niet enkel een hulpmiddel voor beheerders vormen om zorgvuldig met de wet en de natuur om te gaan.

De goedkeuring van de gedragscode en de in het tweede lid van artikel 4.4 geformuleerde vereisten voor goedkeuring verzekeren dat het vellen en herbeplanten op een verantwoorde wijze geschieden. Zo keurt de Minister een gedragscode bijvoorbeeld enkel goed als daarin naar zijn oordeel afdoende is gewaarborgd dat de grond waarop de herbeplanting plaatsvindt tenminste een gelijk oppervlakte en dezelfde kwaliteit heeft als de grond waarop de gevelde houtopstand zich bevond. De gedragscode voorkomt dat organisaties die regelmatig houtopstanden moeten vellen steeds individuele ontheffingen moeten aanvragen, en draagt zodoende bij aan de door het kabinet gewenste vermindering van bestuurlijke en administratieve lasten. Een gedragscode voor het vellen van houtopstanden kan overigens deel uitmaken van een gedragscode voor soorten (Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, p. 193).

Provinciale ontheffing

Voor situaties waarvoor een afwijking van de meld- en herbeplantingsplicht ook wenselijk is, maar die niet worden bestreken door de in de Wnb geregelde generieke vrijstelling of een gedragscode, is er daarnaast nog de mogelijkheid van een provinciale ontheffing (zie artikel 4.5 Wnb). Provinciale Staten kunnen de mogelijkheden daartoe opnemen in de provinciale verordening.

Afronding

Net als onder de Boswet het geval was, blijft onder de Wnb kortom voor situaties waarin houtopstanden plaats dienen te maken voor natuurontwikkeling, vrijstelling van de meld- en herbeplantingsplicht mogelijk. Ondanks dat de meld- en herbeplantingsplicht strekken ten behoeve van de instandhouding van het bosareaal, kan ingeval van specifieke situaties dus een uitzondering worden gemaakt indien de wettelijke regels daarin voorzien.

Dit is een blog in de serie “Nieuwe Wet natuurbescherming”. Een overzicht van alle blogs in deze serie kunt u hier vinden.