Bij de inwerkingtreding van de Wwz heeft de wetgever een fictie in het leven geroepen die van toepassing is voor de verschuldigdheid van de transitievergoeding bij opvolgend werkgeverschap.

Deze fictie is in de rechtspraak ook wel aangeduid als de ‘Asscher-fictie’ en komt er op neer dat ingeval van een concessiewissel of vergelijkbare gevallen de oude werkgever geen transitievergoeding aan de werknemer verschuldigd is, ook al is het initiatief tot beëindiging van de oude werkgever uitgegaan. Het gaat hier nadrukkelijk om een fictie nu de oude werkgever volgens de wet (artikel 7:673 lid 1 BW) normaal gesproken een transitievergoeding verschuldigd zou zijn. In plaats daarvan wordt de werknemer in gevallen zoals deze geacht het initiatief tot beëindiging te hebben genomen. Ratio van de fictie is dat de bescherming van de werknemer wordt gewaarborgd door behoud van zijn anciënniteit: de duur van het totale dienstverband bij de oude werkgever telt namelijk mee voor de berekening van de transitievergoeding bij ontslag door de opvolgend werkgever (artikel 7:673 lid 4 sub b BW).

De Asscher-fictie vraagt m.i. om herbezinning. De rechtspraak laat zien dat de fictie nodeloos ingewikkeld is en leidt in de praktijk tot verschillende knelpunten. Het zou daarom goed zijn als de nieuwe regering deze fictie nog eens kritisch tegen het licht houdt. Dat is de strekking van mijn annotatie (JAR 2017/271) bij een uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 30 augustus 2017.