De HR zet uiteen wanneer productnabootsing op een wijze die nodeloos verwarring veroorzaakt ('slaafse nabootsing') een vorm is van oneerlijke mededinging, waartegen op grond van onrechtmatige daad kan worden opgekomen. Van verwarring kan pas sprake zijn indien het nagebootste product een 'eigen gezicht' in de markt heeft, oftewel zich in uiterlijke verschijningsvorm onderscheidt van andere, gelijksoortige producten op die markt. Populariteit, bekendheid of een groot marktaandeel zijn op zichzelf niet relevant. Het eigen gezicht van een product kan afnemen, en zelfs verdwijnen naarmate meer soortgelijke producten op de markt verschijnen en zich handhaven. De partij die een product op de markt brengt, zal zich dus moeten inspannen om het ‘eigen gezicht’ te behouden. Of nodeloos verwarringsgevaar bestaat hangt af van de omstandigheden van het geval. Ook de wijze waarop producten na aankoop worden waargenomen, kan een rol spelen. Niet van belang is of de verwarring betrekking heeft op de producten zelf of op hun herkomst: in beide gevallen kan sprake zijn van oneerlijke mededinging.

ECLI:NL:HR:2017:938

Eerder heeft de HR beslist dat een collectieve actie stuitende werking heeft voor schadevergoedingsvorderingen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:766) en dat die stuitende werking zich ook uitstrekt tot de bevoegdheid tot buitengerechtelijke vernietiging. Indien een collectieve actie “op andere wijze” is geëindigd dan door toewijzing van de vordering zoals bedoeld in art. 3:316 lid 2 BW, is een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring tijdig als die binnen zes maanden na die beëindiging is uitgebracht (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018). Of de procedure “op andere wijze” is geëindigd door – in dit geval – de Duisenbergregeling, moet worden bepaald door een objectieve uitleg ervan. In overeenstemming met het doel van de Duisenbergregeling en onder andere de strekking van art. 7:907 lid 5 BW en 1015 Rv, oordeelt de HR dat de collectieve actie is geëindigd met de beslissing op het verzoek tot algemeenverbindendverklaring van de Duisenbergregeling.

ECLI:NL:HR:2017:936

Prijsvrij maakt als agent aanspraak op een klantvergoeding wegens de beëindiging van de agentuurovereenkomst door Corendon. Het hof wijst de vordering af. De HR laat deze beslissing in stand, na een samenvatting van zijn jurisprudentie ter zake van klantvergoedingen (art. 7:442 lid 1 BW). De HR oordeelt onder meer dat de agent aannemelijk moet maken dat de principaal nog in relevante mate nieuwe transacties kan verwachten van door de agent aangebrachte of geïntensiveerde klanten. Voor dat bewijs is niet voldoende dat klanten van Prijsvrij herhaalboekingen bij Corendon zouden kunnen doen.

ECLI:NL:HR:2017:935

De afkoop van een stamrecht dat ziet op een vergoeding wegens ontslag uit een in de VS en Nederland uitgeoefende dienstbetrekking valt onder het bereik van het belastingverdrag met de VS. Omdat de afkoopsom niet ten laste is gekomen van een werkgever of een vaste inrichting in de VS, is de belastingheffing over de afkoopsom conform vaste jurisprudentie toegewezen aan Nederland.

ECLI:NL:HR:2017:914

Nadat de rechtbank een beklag van een verdachte tegen een conservatoire inbeslagneming van voertuigen gegrond had verklaard wegens disproportionaliteit, legt de officier van justitie opnieuw beslag. De rechtbank acht ook het tweede beslag onrechtmatig. De HR verwerpt het cassatieberoep van de officier van justitie. De HR herhaalt dat een onrechtmatig geoordeelde conservatoire inbeslagneming gevolgd kan worden door een tweede beslag, maar aangezien geen sprake was van feiten of omstandigheden die nog niet bekend waren of redelijkerwijze nog niet bekend konden zijn toen de rechtbank oordeelde over het eerste beslag, is het oordeel van de rechtbank niet onjuist of onbegrijpelijk.

ECLI:NL:HR:2017:880