Voorafgaand aan de verkoop en overdracht van een BV werd een deel van het door deze BV gehouden vastgoed afgesplitst naar een andere BV. Onder bepaalde voorwaarden geldt bij verkrijging van vastgoed als gevolg van een (af)splitsing een vrijstelling van overdrachtsbelasting. Volgens het Hof Den Bosch is de verkrijgende vennootschap er niet in geslaagd om aan te tonen dat aan de voorwaarden voor die vrijstelling was voldaan.

Rechtsvraag en belang

G BV en H BV bezaten respectievelijk 75% en 25% aandelenbelang in K BV. Zij beoogden beide hun belang over te dragen aan J BV. J BV had echter aangegeven in bepaalde bedrijfsgebouwen geen interesse te hebben. Daarom werden deze gebouwen door een door middel van splitsingsakte opgerichte ‘zustervennootschap (verder: belanghebbende) onder algemene titel verkregen. In geding is toepassing van de zogenoemde splitsingsvrijstelling.

Beoordeling door het hof

Het hof oordeelt dat het door belanghebbende verkregen vastgoed niet vrijgesteld is op grond van de splitsingsvrijstelling omdat de splitsing niet gebaseerd was op zakelijke overwegingen.

Vanwege het feit dat K BV en belanghebbende binnen 3 jaar na de afsplitsing niet meer verbonden zijn, moest belanghebbende aannemelijk maken dat de afsplitsing wel degelijk op zakelijke gronden berustte. Belanghebbende was hierin niet geslaagd.

Bij de beoordeling is het volgens het hof van belang dat de (actieve) werkzaamheden van K BV en belanghebbende in ogenschouw genomen werden. Dat het niet onlogisch of onzakelijk zou zijn om de bedrijfsgebouwen af te zonderen, betekende niet zondermeer dat een afsplitsing wél in het belang van de actieve werkzaamheden van K BV en belanghebbende zou zijn. Tevens oordeelt het hof dat met de verkoop van de aandelen aan J BV een herstructurering beoogd was, maar dit niet betekent dat de afsplitsing van de onroerende zaken dan ook automatisch gericht was op de herstructurering. Een belaste verkrijging zou wel leiden tot een verhoogde verkoopprijs, maar stond volgens de intentieovereenkomst niet in de weg aan de gewenste samenvoeging van K BV en J BV. Het was dus vanuit K bezien irrelevant of de onroerende zaken gesplitst werden. Hierom kan niet aangenomen worden dat de splitsing voortkwam uit zakelijke overwegingen en oordeelt het hof dat de splitsing in overwegende mate gericht was op het ontgaan of uitstellen van belasting.

Praktijkbelang

In algemene zin is de vraag of de zogenoemde splitsingsvrijstelling van toepassing is, zeer feitelijk van aard. Bij dergelijke (af)splitsingen van vastgoed is een goede voorbereiding waaronder een adequate vastlegging van de zakelijke overwegingen van groot belang. In een casus als deze loont het vanuit overdrachtsbelastingperspectief de moeite om vooraf de mogelijkheden te onderzoeken om het vastgoed waar de koper van K BV niet in geïnteresseerd was, binnen de bestaande structuur zonder overdrachtsbelasting uit K BV te halen. Belanghebbende bepleit immers zelf dat er een alternatieve route voorhanden was die niet tot heffing van overdrachtsbelasting zou leiden.