De Raad van State heeft in twee recente arresten haar licht laten schijnen over het lot van offertes, die niet vergezeld waren van een Uniform Europees Aanbestedingsdocument (hierna: het “UEA”), waarmee deze inschrijvers moesten verklaren te voldoen aan alle voorwaarden gesteld in het kader van de kwalitatieve selectie.

In beiden zaken betwistten de inschrijvers de beslissing van de aanbestedende overheid om hen te weren omdat het UEA niet was overgemaakt met hun offerte. Aangezien het niet-overleggen van een UEA een substantiële onregelmatigheid uitmaakt (art. 76, lid 4, 2° van het KB van 18 april 2017), was geen van deze beroepen, zoals hierna zal blijken, succesvol:

  • In een eerste arrest van 20 februari 2018 (nr. 240.748) bevestigt de Raad van State dat een inschrijver, die nalaat een UEA over te maken bij zijn offerte, moet worden uitgesloten. Doordat de aanbestedende overheid in de aankondiging van opdracht of het bestek had nagelaten om de raming van de waarde van de opdracht te vermelden, kon de inschrijver naar eigen zeggen niet weten dat het ging om een Europese overheidsopdracht, in het kader waarvan een UEA moest worden overgemaakt. Bovendien werd het UEA niet vermeld in de opsomming van documenten die bij het offerteformulier moesten worden gevoegd. Desalniettemin oordeelt de Raad van State dat een inschrijver, op basis van de raming in het administratief dossier, namelijk 143.948,14 euro op jaarbasis, moet rekening houden met de in het bestek voorziene mogelijkheid tot herhaling en verlenging tot een maximale looptijd van vier jaar. De argumentatie dat de inschrijver mocht vermoeden dat de aanbestedende overheid het voorleggen van een UEA niet had verplicht, wordt volgens de Raad van State tegengesproken door het feit dat de opdracht Europees werd aangekondigd. Tot slot wijst de Raad van State op het gegeven dat er een besteksbepaling was voorzien met betrekking tot het voorleggen van een UEA.  
  • In een tweede arrest van 30 januari 2018 (nr. 240.618) bevestigt de Raad van State bovendien dat een inschrijver niet de keuze heeft tussen, enerzijds, het bijvoegen van het UEA en, anderzijds, het bijvoegen van certificaten die bevestigen dat de betrokken kandidaat of inschrijver aan de voorwaarden gesteld in het kader van de kwalitatieve selectie voldoet.  Nochtans moeten de inschrijvers overeenkomstig artikel 73 van de wet van 17 juni 2016 het UEA “op het ogenblik van de indiening (…) van de offertes” voorleggen. Bijgevolg, als het UEA niet wordt voorgelegd op het ogenblik van de indiening van de offerte, is deze substantieel onregelmatig en kan deze onregelmatigheid niet worden verholpen door de neerlegging tijdens de procedure van een ingevuld UEA.

Inschrijvers zijn dan ook gewaarschuwd: het UEA moet op het moment van de indiening van de offerte worden voorgelegd en de ontstentenis daarvan zal dan ook resulteren in de wering van de offerte.