Het Vlaamse decreet van 19 juli 19731 verplicht  private ondernemingen met een exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied (met uitsluiting van de faciliteitengemeenten) om het Nederlands te gebruiken voor hun sociale betrekkingen en voor hun bij wet voorgeschreven “akten en bescheiden van de onderneming”.

Dit Vlaamse taaldecreet werd recent aangepast door een wijzigingsdecreet van 14 maart 2014.2 De concrete aanleiding hiertoe was het arrest van het Hof van Justitie C-202/11 van 16 april 20133. In dit arrest oordeelde het Hof van Justitie dat het beginsel van vrij verkeer van werknemers in de weg staat aan de regeling van de Vlaamse overheid. Vooral de verplichting om ook arbeidsovereenkomsten met een grensoverschrijdend karakter uitsluitend op te stellen in het Nederlands vond het Hof problematisch. Het Hof merkte met name op dat zulke verplichting disproportionele gevolgen kan hebben bij een arbeidsovereenkomst met een grensoverschrijdend karakter, omdat de partijen dan niet noodzakelijkerwijs het Nederlands beheersen. In een dergelijke situatie zou – aldus het Hof van Justitie – de overeenkomst ook moeten kunnen worden opgesteld in een andere taal dan de officiële taal van de lidstaat.4

Het Hof van Justitie suggereerde als alternatief om toe te staan dat voor arbeidsovereenkomsten met een grensoverschrijdend karakter, naast een Nederlandstalige versie, een versie in een andere taal die door alle betrokkenen begrepen wordt kan worden opgesteld.5

Deze suggestie werd opgenomen door de Vlaamse wetgever. Het nieuwe artikel 5 van het taaldecreet staat daarom toe om een rechtsgeldige versie van individuele arbeidsovereenkomsten6 op te maken in een van de officiële talen van de Europese Unie of van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte.

Wie dacht dat na dit arrest en de decretale aanpassing in het Nederlandse taalgebied sprake is van een aanzienlijke taalvrijheid voor arbeidsovereenkomsten en andere bij wet voorgeschreven documenten van ondernemingen, komt echter bedrogen uit.

De regeling inzake arbeidsovereenkomsten werd door de Vlaamse decreetgever zo minimaal mogelijk (en mogelijks zelfs te beperkt) aangepast. Verschillende beperkingen gelden immers op de mogelijkheid om gebruik te maken van een andere taal dan het Nederlands:

Vooreerst geldt de soepelere regeling enkel voor bepaalde werknemers, namelijk enkel voor:

  • werknemers met woonplaats in een andere lidstaat van de Europese Unie of in Noorwegen, IJsland of Liechtenstein;
  • werknemers met woonplaats in België, maar enkel indien deze gebruik gemaakt hebben van hun recht vrij verkeer van werknemers of van de vrijheid van vestiging op basis van het Europese recht7 of voor werknemers die beroep kunnen doen op het vrij verkeer op basis van een  internationaal of supranationaal verdrag.

Verder blijft de te gebruiken taal voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers het Nederlands. Hetzelfde geldt voor de wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen, zoals de statutenwijzigingen, facturen, etc. Enkel voor individuele arbeidsovereenkomsten wordt dus in bepaalde gevallen in een uitzondering voorzien. Daarbij kan de vraag worden gesteld of de uitspraak van het Europese Hof niet bij analogie ook zou toepassing moeten vinden voor deze documenten.

Bovendien wordt voor de “arbeidsovereenkomsten met grensoverschrijdend karakter” enkel toegestaan dat naast een Nederlandstalige versie ook een versie in de andere taal wordt opgesteld. Er wordt daarbij ook nog vereist dat alle betrokken partijen de (andere) gebruikte taal begrijpen, zodat geen gebruik kan worden gemaakt van een taal die de werknemer niet zou begrijpen. Mocht er een verschil bestaan tussen de Nederlandstalige versie en de anderstalige versie, zal de Nederlandstalige versie ook nog voorrang hebben. De Raad van State stelde zich kritisch op ten aanzien van zulke beperking9, maar de decreetgever heeft met die kritiek geen rekening gehouden.

Aan de sancties vervat in het Vlaamse Taaldecreet werden geen fundamentele wijzingen aangebracht. De stukken of handelingen die in strijd zijn met de bepalingen van het Taaldecreet, zijn volgens artikel 10 nietig, en deze nietigheid moet desgevallend ambtshalve door de rechter worden vastgesteld.

De werkgever die de bepalingen van het taaldecreet overtreedt, kan verder met een administratieve of strafrechtelijke geldboete worden bestraft. Wel riskeert hij niet langer een gevangenisstraf, hetgeen voor de wijziging van het taaldecreet nog mogelijk was. Bij herhaling binnen het jaar kunnen de sancties worden verdubbeld. De verjaring van de strafvordering werd wel verstrengd: deze beloopt na de decreetsaanpassing vijf jaar in plaats van oorspronkelijk één jaar na de overtreding.

De nieuwe regeling is in werking getreden op 2 mei 2014.