Kernpunten

  • Voorzie duidelijke modaliteiten inzake de uitoefening van opties.
  • De gerealiseerde meerwaarde is in de regel onbelast.
  • Voorzie een call optie om te voorkomen dat aandelen bij derden terechtkomen.

______________________________________________________

Na aanvaarding van de aangeboden aandelenopties is de volgende stap te weten hoe en wanneer de opties uitgeoefend kunnen worden.

Het is daarbij raadzaam om bepaalde modaliteiten te voorzien. Zo kan u de uitoefenperiodes vastleggen in het plan. Dat verkleint in elk geval uw administratieve last. Beslissen de werknemers immers om uit te oefenen, dan moeten de aandelen ook beschikbaar zijn.

U kan per uitoefenperiode ook bepalen hoeveel er mag uitgeoefend worden. Heel vaak is dat 25% of 20% van de toegekende aandelenopties. Laat de werknemer een eerste uitoefenperiode vervallen, dan zal hij bij de eerstvolgende periode 50% of 40% kunnen uitoefenen, enzovoort.

Uiteraard moet de werknemer u conform de regels van het plan in kennis stellen van zijn intentie om uit te oefenen (bv aan de hand van een schriftelijke bevestiging).

De werknemer moet op het ogenblik van de uitoefening de uitoefenprijs betalen. Dat kan ook “cashless”, wat betekent dat een equivalent aantal aandelen naar waarde van de uitoefenprijs wordt afgehouden van de over te dragen aandelen. Eens uitgeoefend, komen de aandelen in het privé patrimonium van de begunstigde werknemer. Hij is op dat ogenblik ook aandeelhouder.

Verkoopt de werknemer daarna zijn aandelen, dan is de gerealiseerde meerwaarde in de regel vrij van belastingen. Wil u voorkomen dat de aandelen aan een derde worden verkocht, dan kan u een call optie voorzien. Dat geeft u het recht om, naar aanleiding van de uitoefening van de aandelenoptie, de aandelen tegen marktwaarde aan te kopen.