Op verzoek van het kabinet heeft de SER een advies uitgebracht over de obstakels voor meer culturele en genderdiversiteit in de top van het Nederlandse bedrijfsleven.

Advies Sociaal Economische Raad

In het rapport beschrijft de SER uitgebreid welke algemene maatregelen kunnen worden getroffen voor meer culturele en genderdiversiteit. Daarnaast pleit de SER ook voor specifieke maatregelen gericht op het bevorderen van diversiteit en inclusie in de top van het bedrijfsleven. Deze maatregelen voor de top hebben vooral tot doel om de doorstroom van vrouwen te bevorderen en het tempo van de groei van het aandeel vrouwen in de top van het bedrijfsleven te versnellen. Zij hebben niet zozeer effect op het aandeel van vrouwen in de arbeidsorganisatie of op de algemene positie van vrouwen op de arbeidsmarkt. Daarvoor is breder beleid noodzakelijk. Het uiteindelijke doel van het voorgestane beleid is een evenredige deelname van mannen en vrouwen in de samenleving (50-50 verdeling en in de top van het bedrijfsleven).

Huidige regeling streefcijfers

De bestaande wettelijke streefcijferbepaling voor een evenwichtige verdeling van de zetels in het bestuur en de raad van commissarissen voor mannen en vrouwen, eindigt per 1 januari 2020. Daarom maakt het kabinet in 2019 opnieuw de balans op; wordt het streefcijfer voortgezet, aangepast of komt het te vervallen? Volgens de SER is het tot nu toe gevoerde beleid onvoldoende effectief. Het ‘pas-toe-of-leg uit’-principe werkt niet goed en de wettelijke streefcijferbepaling wordt slechts beperkt nageleefd.

De SER bepleit daarom een meer activerende en effectieve aanpak die beter rekening houdt met verschillen tussen bedrijven en die de betrokkenheid van de bedrijven en ‘het eigenaarschap’ om diversiteit te bevorderen en een inclusieve cultuur te realiseren, versterkt. Klik hier om de samenvatting van het advies te lezen.

Ingroeiquotum voor RvC beursgenoteerde bedrijven

De SER vindt dat voor de Raad van Commissarissen van Nederlandse beursgenoteerde bedrijven een zogeheten ingroeiquotum van 30 procent moet gelden. Wanneer bij een vacature in de RvC een man wordt benoemd, terwijl het aandeel vrouwen in de RvC nog geen 30 procent is, wordt de benoeming nietig verklaard. De vacature blijft dan open (het zogeheten ‘legestoelprincipe’). Gezien de ervaringen in andere landen met vergelijkbare maatregelen, verwacht de SER dat dit een effectief instrument zal zijn.

De SER acht verder van belang dat mag worden verwacht dat een meer divers samengestelde RvC een positieve doorwerking zal hebben naar de samenstelling van de RvB. De RvC is immers bevoegd ofwel tot benoeming van RvB-leden (bij structuurvennootschap) ofwel tot het doen van een voordracht. Evenals bij de nu geldende wettelijke streefcijferbepaling, kan een voorkeursbeleid van bedrijven nodig zijn.

Nederland sluit met deze regeling aan bij het systeem in de omringende landen, waaronder Duitsland. Uit internationale studies blijkt volgens de SER dat een dergelijke sanctie effectief kan worden genoemd, in die zin dat het een versnelling aanbrengt in het aantal benoemingen van vrouwen in de top. De preventieve werking die uitgaat van een dergelijke ‘stok’ zorgt in de praktijk voor naleving, aldus de SER.

Voor de definitie van een beursgenoteerd bedrijf wordt verwezen naar de reikwijdte van de Nederlandse Corporate Governance Code. De Code is van toepassing op: i. alle vennootschappen met statutaire zetel in Nederland waarvan de aandelen of certificaten van aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een daarmee vergelijkbaar systeem; en ii. alle grote vennootschappen met statutaire zetel in Nederland (> € 500 miljoen balanswaarde) waarvan de aandelen of certificaten zijn toegelaten tot de handel op een multilaterale handelsfaciliteit of een daarmee vergelijkbaar system.

Eigen streefcijfers van een grotere groep bedrijven

De tweede maatregel richt zich op een brede groep van ongeveer 5000 'grote' vennootschappen. Ook voor deze bedrijven vindt de SER het wenselijk dat toegewerkt wordt naar een evenredige m/v verdeling. Zij worden verplicht zelf op maat gemaakte en ambitieuze streefcijfers voor hun RvB, RvC en subtop op te stellen. Zij stellen zelf een na te streven percentage vast op basis van hun eigen ambitieuze doelstellingen. Op deze wijze wordt recht gedaan aan de verschillen tussen bedrijven en wordt ruimte geboden voor maatwerk.

De doelstellingen zijn echter niet vrijblijvend. Een passend en ambitieus streefcijfer betekent dat bij vacatures in een RvB en een RvC zonder vrouwen in principe ten minste een vrouw wordt benoemd. Bovendien dient het streefcijfer progressief te zijn (en streefcijfers mogen niet naar beneden worden bijgesteld). Wordt hiervan afgeweken dan zal dit moeten worden gemotiveerd en hierover ook verantwoording moeten worden afgelegd, hetgeen door de SER als een belangrijk onderdeel van de transparantieverplichting wordt gezien. Ook stellen bedrijven een plan op hoe dit streefcijfer te realiseren valt. Hiervan wordt ook verslag gedaan. De SER acht het zeer wenselijk dat bedrijven zich aansluiten bij een charter of andere vorm van infrastructuur zodat gerapporteerd wordt.

Daarnaast stelt de SER voor het toepassingsgebied van deze maatregel uit te breiden tot bepaalde senior management functies, dit in navolging van Duitsland waar het zelf te formuleren streefcijfer ook geldt voor de twee managementlagen onder de top. Bij de uitwerking moeten de grote vennootschappen de vrijheid hebben om zelf te kunnen bepalen hoe zij de subtop definiëren, wat de subtop is, met daarbij aandacht voor de administratieve belasting. De formulering van targets voor de subtop acht de SER van belang voor het vergroten van de ‘kweekvijver’ voor de top. In Nederland gaat de verplichting gelden voor een veel grotere groep bedrijven dan in Duitsland.

Met deze tweede maatregel wil de SER voor de grote vennootschappen het eigenaarschap voor diversiteitsbeleid bevorderen. Het is ambitieus, omdat de eigen doelstelling hoger moet zijn dan de bestaande samenstelling en van bedrijven en instellingen wordt gevraagd een plan te maken en dit te communiceren naar de ‘buitenwereld’. Het is een bredere aanpak dan de huidige aanpak omdat het ook de "pijplijn" naar de top bevat. Bij dit alles dient voor ogen te worden gehouden dat het uiteindelijke doel een evenredige vertegenwoordiging van m/v ook in de top van het bedrijfsleven is.

Het gaat hierbij om de ‘grote’ vennootschappen in de huidige streefcijferbepaling. De streefcijferbepaling geldt voor naamloze en besloten vennootschappen die volgens het jaarrekeningrecht een "grote rechtspersoon" zijn. Dit is het geval als een vennootschap op twee achtereenvolgende balansdata voldoet aan twee van de volgende drie criteria: de waarde van de activa bedraagt meer dan €20 miljoen; de netto-omzet is meer dan €40 miljoen en het gemiddeld aantal werknemers is 250 of meer.

Ook voor de (semi-) publieke sector?

De SER vindt het ook van belang om, naar analogie van de voor het bedrijfsleven voorstelde maatregelen, ook dezelfde maatregelen in te voeren voor de (semi-) publieke sector. Daartoe adviseert de SER nader uit te werken voor welke (semi-) publieke sectoren en organisaties het ingroei-quotum kan gaan gelden en welke (semi-) publieke organisaties worden verplicht zelf hun ambitieuze streefcijfer moeten vaststellen.

De SER heeft ook een handreiking voor bedrijven gemaakt. Klik hier om die te lezen.

Al in 2018 constateerde de commissie Monitoring Streefcijfer Wet Bestuur en toezicht dat de tijd rijp lijkt voor meer druk en meer dwingende maatregelen om de streefcijfers te halen. De commissie adviseerde daarom de politiek ook tot het instellen van een afdwingbaar quotum. Klik hier voor ons bericht hierover.