Naar aanleiding van een prejudiciële vraag van het hof van beroep te Brussel besprak het Hof van Justitie (nogmaals[2]) de voorwaarden van een verboden piramidesysteem in de zin van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken.[3]

Deze bepaling werd in Belgisch recht omgezet in artikel VI.100, 14° WER. De zaak draaide om de kwalificatie van het Lucky 4 All-systeem van de Nationale loterij als een verboden piramidesysteem.

Het Hof van Justitie herhaalde de drie cumulatieve voorwaarden om van een verboden piramidesysteem te spreken, namelijk de belofte op een economisch voordeel (i), afhankelijk van de toetreding van andere consumenten (ii) en waarvan het grootste deel van de vergoeding niet voortkomt uit de werkelijke economische activiteit (iii). Over deze laatste voorwaarde stelde het Hof dat de band vereist tussen de door de nieuwe leden verrichte betalingen en de door de bestaande leden ontvangen vergoedingen niet noodzakelijkerwijs direct moet zijn. Een indirecte band volstaat. Een systeem waarbij de winstkans samenhangt met de onbegrensde instroom van nieuwe spelers (en dus met de toetredingsbijdragen en inzetten) en waarbij het begrenzen van de winst (en dus de financiering van het systeem) waarschijnlijker wordt naargelang er meer spelers toetreden, lijkt zulke indirecte, maar zekere band te hebben.

Het Hof stelde nog terloops dat het Lucky 4 All-systeem hoe dan ook lijkt te kwalificeren als een oneerlijke handelspraktijk, gezien het ertoe strekt winst voor het systeem zelf te creëren, wat het Hof echter uiteindelijk aan de nationale rechter overlaat om te beoordelen.