Op 1 januari 2017 treedt de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. Eén van de wijzigingen ten opzichte van het huidige natuurbeschermingsrecht is de introductie van het opzetvereiste in de Wnb. Helemaal nieuw is dit opzetvereiste echter niet, want de Flora- en faunawet kent al het verbod beschermde inheemse dieren opzettelijk te verontrusten.

Door de verboden vaker te beperken tot opzettelijk begane overtredingen, wordt beter aangesloten bij de verbodsbepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De toevoeging van “opzettelijk” in de verboden zou ertoe moeten leiden dat minder handelingen onder een verbodsbepaling vallen, want handelingen die zonder opzet worden verricht vallen daardoor niet onder een verbodsbepaling. De wijziging heeft tot gevolg dat vaker dan nu het geval is discussie kan ontstaan of een overtreding “opzettelijk” is begaan. Daarom bespreekt dit blog het opzetvereiste in de Wnb in meer detail.

Hoe wordt opzet uitgelegd?

Handelingen die niet opzettelijk worden verricht vallen dus niet onder een verbod dat een opzetvereiste kent, maar wanneer is sprake van opzet: waar ligt de grens tussen zonder opzet en met opzet? Het normaal spraakgebruik wijkt hier af van het juridische begrip “opzet”. Onder opzet moet namelijk ook voorwaardelijke opzet worden begrepen. Bij voorwaardelijk opzet verricht iemand een handeling waarbij hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedraging leidt tot overtreding van het verbod op bijvoorbeeld het doden of verstoren van dieren, ook als een kwade intentie bij hem ontbreekt. Hoe dit kan worden bewezen hangt af van de omstandigheden van het geval.

Voor de uitleg van het opzetvereiste kunnen aanknopingspunten worden gevonden in het Guidance document on the strict protection of animal species van de Europese Commissie en in jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Hof heeft zich namelijk al in meerdere zaken uitgelaten over (voorwaardelijk) opzet. Een bekende uitspraak is de zaak Commissie tegen Griekenland (HvJEU 30 januari 2002, C-103/00). Het, ondanks een verbodsbord, met bromfietsen rijden op een Grieks strand waar schildpadnesten zijn en het varen met waterfietsen en kleine bootjes in een speciale beschermingszone zijn volgens het Hof handelingen die schildpadden opzettelijk verstoren tijdens de voortplantingstijd. In dit geval bestond kennis van de aanwezigheid van een beschermde diersoort en werd een mogelijk schadelijke handeling toch voortgezet. In zo’n geval is sprake van opzettelijk handelen.

In een ander arrest van de Commissie tegen Spanje (HvJEU 18 mei 2006, C0221/04) blijkt ook dat bekendheid van de aanwezigheid van de diersoort in het gebied bij opzet belangrijk is. Vergunning was verleend voor het jagen op vossen door het plaatsen van vallen, maar de Commissie was van mening dat hierbij de vangst van otters niet als toevallige bijkomstigheid kon worden beschouwd. Dit zou leiden tot het overtreden van het verbod om opzettelijk in het wild levende diersoorten (otters) te vangen of doden. De Commissie meende dat hierdoor ook opzet was bij het doden van otters, omdat ook zij in de val zouden kunnen sterven. Het Hof oordeelde echter dat bij het verlenen van de vergunning voor vossenjacht, niet de mogelijkheid van de vangst of dood van otters wordt aanvaard. Van belang hierbij was dat het Hof meende dat de aanwezigheid van otters in het gebied niet was vastgesteld.

Vaak is bij een handeling duidelijk dat sprake is van opzet. Bijvoorbeeld het opzettelijk verstoren (verjagen) van meeuwen in het kader van een onderzoek naar manieren om hinder van de meeuwen te voorkomen en beperken. Deze casus was aan de orde in een uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2016. Bij sommige handelingen is het echter minder duidelijk. Uit een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 12 september 2016 blijkt dat het algemene kennisniveau van belang is om te bepalen of sprake is van opzet. In deze zaak was aan de verdachte een overtreding van het verbod op het opzettelijk verontrusten van beschermde diersoorten ten laste gelegd doordat edelherten op de vlucht sloegen vanwege het vliegen met een drone boven de Oostvaardersplassen. De politierechter stelt vast dat inderdaad sprake is geweest van verontrusting van de edelherten, maar acht geen sprake van opzet daartoe. Volgens de rechter is het geen feit van algemene bekendheid dat er een aanmerkelijke kans is dat de edelherten verontrust zouden worden door de drone. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij.

Afronding

Met de introductie van het opzetvereiste zal minder snel een verbod worden overtreden. Toch zal de wetswijziging leiden tot nieuwe juridische vragen, met name over de vraag wanneer sprake is van “voorwaardelijk opzet”. Voor de beantwoording van deze vraag zijn al enkele voorbeelden te vinden in Europese en Nederlandse jurisprudentie. Hoewel er altijd twijfelgevallen zullen zijn of sprake is van opzet of niet, verwachten wij dat dit voor de meeste gevallen voor de praktijk een verbetering zal zijn ten opzichte van de oude regeling in de Flora- en faunawet.

Dit is een blog in de serie “Nieuwe Wet natuurbescherming”. Een overzicht van alle blogs in deze serie kunt u hier vinden.