In een arrest van 30 januari 2017 verduidelijkt het Hof van Cassatie de voorwaarden waaronder een werknemer rechtsgeldig afstand kan doen van de schorsing van de opzeggingstermijn.

Overeenkomstig artikel 38, §2, alinea 2 van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, is de regel dat wettelijke oorzaken tot schorsing van de arbeidsovereenkomst – zoals ziekte en vakantie – de opzeggingstermijn schorsen en verlengen.

Hierdoor kan bij aanvang van de opzeggingstermijn moeilijk bepaald worden wanneer deze effectief zal aflopen, maar ook welke financiële implicaties er nog voor de werkgever zullen zijn wanneer de arbeidsovereenkomst een definitief einde neemt.

Bijvoorbeeld:

  • De werkgever beëindigt de arbeidsovereenkomst van de heer X met een te presteren opzeggingstermijn van zes maanden;
  • Lopende de opzeggingstermijn neemt de heer X twee weken jaarlijkse vakantie en is hij tevens één week afwezig wegens ziekte;
  • Exact zes maanden na aanvang van de opzeggingstermijn, maakt de werkgever een definitief einde aan de arbeidsovereenkomst;
  • De heer X zal in dit geval nog aanspraak kunnen maken op een saldo opzeggingsvergoeding overeenstemmend met 3 weken loon, zijnde het loon voor de periodes van ziekte en vakantie, die de opzeggingstermijn schorsen en verlengen.

Om te vermijden dat er bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog een saldo opzeggingsvergoeding voor de periodes van schorsing van de opzeggingstermijn verschuldigd zou zijn, sluiten partijen na betekening van het ontslag niet zelden een dadingsovereenkomst waarin zij o.m. uitdrukkelijk overeenkomen dat de werknemer afstand doet van zijn recht om de schorsing van de opzeggingstermijn in te roepen.

In het arrest van 30 januari 2017, heeft het Hof van Cassatie zich uitgesproken over de geldigheid van een dergelijke clausule en geoordeeld dat:

  1. Artikel 38, §2, alinea 2 van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten een dwingende wetsbepaling betreft, die een bescherming invoert ten gunste van de werknemer waarvan deze geen afstand kan doen zolang de bestaansreden ervan blijft bestaan;
  2. Hieruit volgt dat de werknemer slechts afstand kan doen van de schorsing van de opzeggingstermijn, nadat deze zich heeft voorgedaan en enkel voor de reeds verstreken tijd van deze schorsing.

Het Hof van Cassatie verbreekt hiermee een arrest van het Arbeidshof te Luik, waarin besloten werd dat een werknemer onmiddellijk na betekening van de opzeggingstermijn, en dus vóóraleer de schorsing heeft plaatsgevonden, rechtsgeldig afstand kan doen van zijn recht om de schorsing van de opzeggingstermijn in te roepen.

  • Voorzichtigheid geboden is met het inlassen van een clausule in de dadingsovereenkomst op grond waarvan de werknemer verzaakt aan zijn recht om de schorsing van de opzeggingstermijn in te roepen. De werknemer kan de geldigheid van dergelijke clausule immers naderhand nog aanvechten met de nodige financiële implicaties voor de werkgever tot gevolg.
  • Om te vermijden dat de werknemer alsnog een saldo opzeggingsvergoeding kan vorderen voor de periodes van schorsing van de opzeggingstermijn, kan de werknemer verzocht worden bij het definitief einde van de arbeidsovereenkomst nogmaals schriftelijk de afstand van recht te bevestigen. Op dat ogenblik zal de schorsing zich immers reeds hebben voorgedaan en reeds verstreken zijn.