De bevoegdheden van toezichthouders zoals de ACM en de AFM zullen worden uitgebreid op basis van de CPC-verordening ((EU) 2017/2394) (de “CPC-Verordening“), die in januari 2020 in werking zal treden. Handelaren en hun communicatiedienstverleners kunnen te maken krijgen met deze nieuwe bevoegdheden. Op 31 juli jl. is een consultatie gestart over de uitvoeringswet van de CPC-verordening ((EU) 2017/2394) (“Uitvoeringswet“) door het Ministerie van Economische zaken en Klimaat. De consultatie loopt tot en met 14 september 2018.

De grondslagen voor de nieuwe bevoegdheden worden in Nederland opgenomen in de Wet handhaving consumentenbescherming die wordt gewijzigd door de Uitvoeringswet. In deze Birdbuzz zullen we kort ingaan op de Uitvoeringswet.

Aanleiding

Aanleiding voor de CPC-verordening is de opvatting van de Europese Commissie dat de consumentenbescherming binnen de Europese Unie beter kan en beter moet. De consument is steeds vaker online actief en dit leidt ertoe dat inbreuken op consumentenrechten steeds meer een grensoverschrijdend karakter krijgen, aldus de Commissie. De CPC-verordening heeft een verbetering van de grensoverschrijdende consumentenbescherming als doel.

Als gevolg van de CPC-verordening krijgen handelaren te maken met verdergaande handhaving van consumentenregels. Daarnaast kunnen ook aanbieders van een communicatiedienst (zoals gedefinieerd in het nieuwe artikel 138e van het Wetboek van Strafvordering), bijvoorbeeld hostingproviders, worden onderworpen aan handhaving van deze regels.

Nationale toezichthouders (zoals de ACM en de AFM) krijgen meer bevoegdheden om de consumentenregels te handhaven. Tevens schrijft de CPC-verordening verdergaande samenwerking voor tussen lidstaten om betere grensoverschrijdende consumentenbescherming te realiseren.

De nieuwe bevoegdheden

In Nederland zullen de nieuwe regels worden neergelegd in de Wet handhaving consumentenbescherming. De volgende twee bevoegdheden worden aan de Wet handhaving consumentenbescherming toegevoegd:

  1. Aankopen onder fictieve identiteit (“mystery shopping”)

Toezichthouders krijgen de bevoegdheid om onder een fictieve identiteit (online) aankopen te doen zodat zij kunnen beoordelen of een handelaar zich houdt aan de regels ter bescherming van consumenten. Effectief toezicht is minder goed mogelijk wanneer de toezichthouder zich als zodanig bekend moet maken aan de desbetreffende handelaar, volgens de toelichting op de Uitvoeringswet. Een handelaar kan bij bekendmaking van de toezichthouder de toezichthouder immers herkennen en als gevolg daarvan zijn werkwijze aanpassen.

  1. Beperkingen ten aanzien van online interface

Tevens krijgen toezichthouders de bevoegdheid om beperkingen te stellen aan websites, apps en andere de online interface(s) van een handelaar. Toezichthouders kunnen de inhoud van een online interface verwijderen of de handelaar verplichten om een duidelijke waarschuwing aan te brengen, wanneer de handelaar handelt in strijd met het consumentenrecht. Bijzonder aan deze bevoegdheid is dat deze ook gericht kan zijn tegen de online interface van een aanbieder van een communicatiedienst. Dit leidt ertoe dat ook aanbieders van een communicatiedienst kunnen worden geraakt door toezicht op de consumentenregels.

Het doen blokkeren van een online interface of het doen plaatsen van een waarschuwing is een ingrijpende bevoegdheid. Daarom heeft de Nederlandse wetgever ervoor gekozen dat toezichthouders eerst de rechtbank Rotterdam om toestemming moeten verzoeken, voor zij deze bevoegdheid kunnen uitvoeren. Daarnaast komt deze bevoegdheid alleen toe aan de ACM en de AFM (en niet aan andere toezichthouders zoals de NVWA).

Inzetbaarheid bevoegdheden

De CPC-verordening stelt dat toezichthouders de twee nieuwe bevoegdheden alleen toekomen wanneer sprake is van een inbreuk op de consumentenrechten waarbij ten minste twee lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn. De Nederlandse wetgever heeft er echter voor gekozen om de bevoegdheden ook te laten gelden wanneer sprake is van een inbreuk van nationaal karakter, dus wanneer een Nederlandse handelaar tegenover Nederlandse consumenten de consumentenregels overtreedt. Deze keuze is gemaakt om te voorkomen dat een consument uit een andere lidstaat, die in Nederland een aankoop doet, een betere bescherming geniet dan een in Nederland wonende consument. Ook de huidige bevoegdheden die toezichthouders op grond van de Wet handhaving consumentenbescherming hebben, gelden bij inbreuken die een nationaal karakter hebben.

Verdergaande samenwerking tussen lidstaten

Naast het toekennen van nieuwe bevoegdheden aan toezichthouders beoogt de CPC-verordening ook de samenwerking tussen lidstaten te verbeteren in het kader van de handhaving van de consumentenregels. Zo kan een toezichthouder in een lidstaat een toezichthouder van een andere lidstaat verzoeken om informatie of om op te treden wanneer consumentenrechten grensoverschrijdend worden overtreden. De toezichthouder van deze laatste lidstaat is verplicht aan dit verzoek gehoor te geven. Daarnaast kunnen toezichthouders van verschillende lidstaten in gecoördineerde acties samenwerken om inbreuken op de consumentenrechten op te sporen. Omdat deze bepalingen rechtstreeks voor toezichthouders gelden dan wel een regeling van feitelijke handelingen betreffen, zijn deze bevoegdheden niet in de Uitvoeringswet opgenomen.

Consultatie

Samenvattend, een handelaar of communicatiedienstverlener kan te maken krijgen met nieuwe vergaande bevoegdheden die de straks gewijzigde Wet handhaving consumentenrechten toekent aan toezichthouders.

De consultatie van de Uitvoeringswet loopt tot en met 14 september 2018. Tot die tijd kan er worden gereageerd op de Uitvoeringswet en de bijbehorende memorie van toelichting. U kunt de consultatie hier raadplegen.