De exploitatie van een datacenter is meer dan het voor de verhuur ter beschikking stellen van vierkante meters vloeroppervlak. Zo concludeerde de Rechtbank Leeuwarden op de vraag of een datacenter geheel of hoofdzakelijk dienstbaar was aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaak, waardoor sprake zou zijn van een zogenaamd ‘onroerendezaaklichaam’ als bedoeld in artikel 4 van de Wet op belastingen rechtsverkeer (WBR).

Het antwoord op deze vraag was relevant vanwege de eventuele verschuldigdheid van overdrachtsbelasting bij de verkrijging van de aandelen van de entiteit waarin een aantal datacenters zaten. Ter zake van de verkrijging van onroerende zaken is in beginsel overdrachtsbelasting verschuldigd. Datzelfde is het geval bij de verkrijging of, zoals in onderhavig geval, vergroting van een aanmerkelijk belang in een onroerendezaaklichaam. Een onroerendezaaklichaam is – kort gezegd – een lichaam waarvan de totale bezittingen grotendeels bestaan uit onroerend goed (ten minste 30% van de bezittingen moet bestaan uit Nederlands o.g.), indien dat onroerend goed hoofdzakelijk wordt gebruikt voor exploitatie of handel.

Voor de Rechtbank Leeuwarden kwam de vraag of de exploitatie van een datacenter moest worden aangemerkt als de exploitatie van een onroerende zaak. De eiseres in deze zaak (het lichaam waarin zich de datacentra bevonden) voerde aan dat zij diensten verleende in haar datacenters en dat het totaalpakket aan diensten, waaronder de bewerking en levering van energie, koeling en beveiliging de enige reden was voor klanten om hun bedrijfskritische ICT apparatuur (de gebruikerapparatuur) tegen een vergoeding in het datacenter te plaatsen. Het gaat de klant om de garantie op de ononderbroken levering van deze diensten. Deze garantie met daarop hoge boetes kon door eiseres worden gegeven omdat bepaalde apparatuur van eiseres kon zorgen voor de ononderbroken levering van bewerkte (‘stabiel gemaakte’) energie.

Het bouwwerk waarin deze diensten werden geleverd was ondergeschikt aan de te leveren diensten en diende slechts voor het plaatsen van de gebruikerapparatuur en ter bescherming tegen regen en vandalisme. De locatie van de gebruikerapparatuur in het bouwwerk was voor de klant evenmin relevant. De ononderbroken levering van de diensten was essentieel. De vergoeding voor de diensten was ook vele malen hoger dan het onderdeel van de vergoeding voor het gebruik van het vloeroppervlak voor de gebruikerapparatuur. Het datacenter was volgens eiseres meer een energiecentrale/fabriek dan een pakhuis.

De Belastingdienst voerde bij de Rechtbank aan dat diensten, zoals energie en koeling niet anders en daarom niet meer zijn dan de gebruikelijke diensten bij de verhuur van gebouwen. Het feit dat energie door bepaalde apparatuur werd geleid noch het feit dat bepaalde garanties op de levering werden gegeven, deden daaraan af. Een datacenter is niet anders dan een koel- en vrieshuis waarbij ook sprake is van de levering van diensten bij de verhuur van vierkante meters vloeroppervlak, aldus de Belastingdienst.

De onderhavige diensten konden naar het oordeel van de Rechtbank echter niet worden aangemerkt als bijkomende verhuurhandelingen, aangezien dat activiteiten zijn die een gebruiker (huurder) zelf ook kan laten verrichten en dat was bij de door eiseres te leveren prestaties niet mogelijk en bovendien ongewenst.

De Rechtbank oordeelde dat de vraag of er sprake is van exploitatie van een onroerende zaak niet zozeer afhankelijk is van het bezigen van de onroerende zaak, als wel in het kader van welke feitelijke bedrijfsuitoefening dit gebeurt. De Rechtbank kwam daarmee tot het oordeel dat eiseres onroerende zaken bezigt in het kader van de exploitatie van datacenters en oefent daarmee een bedrijf uit op een ander gebied dan dat van handel in en/of exploitatie van onroerend goed.

De rechtbank concludeerde daarom dat de datacenters niet dienstbaar waren aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken, waardoor eiseres niet kwalificeerde als een ‘onroerendezaaklichaam’. Dit betekende dat de de vergroting van het aanmerkelijk belang in het betreffende lichaam niet kwalificeerde als belastbaar feit ingevolge de WBR, zodat ter zake van deze verkrijging geen overdrachtsbelasting was verschuldigd. De overige vereisten van artikel 4 WBR waren niet in geschil.

We kunnen ons goed voorstellen dat ook bij de overdracht van ander, specifiek vastgoed – waarbij de aanvullende diensten belangrijker zijn dan de onroerend goed zelf – de heffing van overdrachtsbelasting mogelijk achterwege kan blijven.

Source: CMS Newsflash Real Estate & Construction, 2013, nr. 8