Op 13 mei jl. presenteerde het College bescherming persoonsgegevens (“Cbp“) zijn rapport van definitieve bevindingen naar aanleiding van een onderzoek bij het advertentiebemiddelingsbedrijf YD Display Advertising Benelux B.V. (“YD“). Uit het onderzoek bleek dat YD zonder toestemming tracking cookies plaatst om het surfgedrag van websitegebruikers te volgen. Hiermee overtreedt YD zowel de Telecommunicatiewet (“Tw“) als de Wet bescherming persoonsgegevens (“Wbp“).

YD helpt adverteerders en websites bij het plaatsen van gepersonaliseerde online advertenties, zgn. online behavourial targeting via tracking cookies. Tracking cookies zijn cookies waarmee het online-gedrag van websitegebruikers gevolgd kan worden. YD kan zo onder meer bijhouden of iemand een bepaalde advertentie, bijvoorbeeld voor een bepaald product, heeft bekeken. Vervolgens toont YD de dagen daarna op andere websites die de gebruiker bezoekt, advertenties over het eerdere bekeken product. Dit wordt retargeting genoemd. Daarnaast biedt YD bedrijven de mogelijkheid dat zij cookies plaatsen in de browsers van de websitegebruikers. Op grond van art. 11.7a Tw dient YD hiervoor geïnformeerde toestemming te vragen aan de websitegebruikers, hetgeen zij nalaat. YD meent aan de wet te voldoen  door de gebruikers een opt-outmogelijkheid te bieden, waarna er geen cookies meer worden geplaatst. Dit is echter niet afdoende: uit het feit dat iemand geen gebruik maakt van de opt-outmogelijkheid kan geen toestemming worden afgeleid. Bij toestemming moet het gaan om een actieve handeling van de websitegebruiker.

Omdat bij tracking cookies vaak ook persoonsgegevens van de gebruikers worden verwerkt – zij worden immers online gevolgd – moet YD zich ook houden aan de Wet bescherming persoonsgegevens, op grond waarvan eveneens toestemming (art. 8 sub a Wbp) aan de gebruiker moet worden gevraagd. Het verweer van YD dat zij geen persoonsgegevens verwerkt, wordt afgewezen. Vervolgens stelt YD zich op het standpunt dat zij geen toestemming voor de verwerking van de persoonsgegevens hoeft te vragen omdat zij een gerechtvaardigd bedrijfsbelang heeft dat zwaarder weegt dan het privacybelang van de websitegebruikers (art. 8 sub f Wbp).

Een beroep op het gerechtvaardigd belang is volgens het Cbp echter niet mogelijk. Allereerst moet YD sowieso al toestemming vragen voor het gebruik van de cookies op grond van de Telecommunicatiewet. Ten tweede geldt dat YD alleen een beroep kan doen op het gerechtvaardigd belang als YD voldoet aan de overige wettelijke eisen voor geldige “cookie toestemming” op grond van de Telecommunicatiewet. Dit is niet het geval nu geen toestemming voor het plaatsen en lezen van de cookies wordt gevraagd. Tot slot geldt dat een belangenafweging ook in het nadeel van YD zou uitvallen: het is voor websitegebruikers vaak niet duidelijk dat hun gegevens via cookies worden verwerkt en zij kunnen daardoor verrast worden door advertenties die hen achtervolgen op het web. Gebruikers moeten vrij kunnen surfen op het internet, zonder hierbij gevolgd te worden.

Het is de eerste keer dat het Cbp een onderzoek verricht naar het onrechtmatige gebruik van cookies. Tot daadwerkelijke handhaving van de regelgeving is vooralsnog niet overgegaan. Het Cbp geeft met dit rapport een duidelijk signaal af aangaande het onrechtmatig gebruiken van cookies. Het is daarbij van belang dat partijen zich realiseren dat naast de cookiebepaling van de Telecommunicatiewet ook de privacyregels van toepassing zijn.