De Hoge Raad heeft op 10 januari 2020 arrest gewezen over de vennootschapsbelastingplicht van buitenlandse houdstervennootschappen die een belang van ten minste 5% houden in een in Nederland gevestigde vennootschap.

In het arrest betrof het een in Luxemburg gevestigde holding die aandelen in een Nederlandse BV hield. De Hoge Raad oordeelde dat de in Luxemburg gevestigde holding in 2012 belastingplichtig is ter zake van dividenden ontvangen van de Nederlandse BV. De Hoge Raad oordeelde namelijk dat er in deze specifieke structuur sprake was van misbruik. In meer algemene zin oordeelde de Hoge Raad dat de Nederlandse regeling voor “buitenlandse belastingplicht” niet in strijd komt met Europees recht.

Het praktische belang van het arrest is naar verwachting relatief beperkt, omdat de omstandigheden in deze zaak vrij specifiek waren. De huidige regeling voor “buitenlandse belastingplicht” kent bovendien aangepaste criteria ten opzichte van de criteria die golden in het jaar waar het arrest op ziet (2012).

Het geval waarover de Hoge Raad moest beslissen betrof een inwoner (natuurlijk persoon) van Zwitserland die via in Jersey en in Luxemburg gevestigde vennootschappen een belang hield in een Nederlandse BV. De Luxemburgse vennootschap had geen andere functies dan het houden van de aandelen in de BV en de BV was op het moment van de dividenduitkering een “kasgeldvennootschap”.

De Luxemburgse vennootschap zou in Nederland vennootschapsbelastingplichtig zijn voor haar aandelenbelang in de Nederlandse BV als, kortweg, sprake was van misbruik. De Hoge Raad oordeelde dat het houden van het belang in de BV via een in Luxemburg gevestigde vennootschap in het onderhavige specifieke geval inderdaad als misbruik kon worden bestempeld. Zonder de Luxemburgse vennootschap als houdster zou Nederland namelijk van de inwoner van Zwitserland (de uiteindelijke aandeelhouder) dividendbelasting hebben kunnen heffen. Deze constatering, in combinatie met het feit dat de Luxemburgse vennootschap geen functies had én er sprake was van uitkeringen door een “kasgeldvennootschap”, konden volgens de Hoge Raad leiden tot de conclusie dat onder de Nederlandse bepalingen en het Europese recht sprake was van misbruik. Nederland kan de dividenden in dat geval belasten in de vennootschapsbelasting. Overigens werd die heffing nog wel beperkt tot 2,5% onder het belastingverdrag met Luxemburg.

De Hoge Raad overweegt in meer algemene zin dat van misbruik (en buitenlandse belastingplicht) in elk geval geen sprake zou zijn: a. indien de Nederlandse vennootschap een onderneming drijft die in het verlengde ligt van de onderneming van de in het buitenland gevestigde vennootschap; b. indien de in het buitenland gevestigde vennootschap een houdstervennootschap is die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van een groep; of c. indien en voor zover de buitenlandse vennootschap als participatiemaatschappij belangen houdt in een of meer lichamen die niet middellijk of onmiddellijk beleggen, zonder dat sprake is van een houdsterfunctie binnen een groep.

Daarnaast is de regeling voor buitenlandse belastingplicht slechts van toepassing als sprake is van het ontgaan van Nederlandse belastingheffing. De Hoge Raad merkt daarover op dat deze toets steeds moet worden aangelegd op het moment dat een voordeel uit het belang in de Nederlandse vennootschap opkomt.

De in het arrest geformuleerde regels kunnen naar verwachting slechts in beperkte mate voor de uitleg van de huidige regeling worden gebruikt. De regeling, die sinds 2018 in vergelijkbare vorm ook in de dividendbelasting is opgenomen, is namelijk per 2016, 2018 en 2020 gewijzigd. In alle structuren met een functieloze of –arme houdstervennootschap van een Nederlandse vennootschap geldt echter nog steeds dat van “buitenlandse belastingplicht” pas sprake kan zijn indien een hoofddoel van de structuur is om belasting te ontgaan.

Wij merken ten slotte op dat het belang van deze regeling in de vennootschapsbelasting en dividendbelasting tot voor kort relatief beperkt was, aangezien een buitenlandse vennootschap vaak bescherming kon ontlenen aan een door Nederland gesloten belastingverdrag. De staatssecretaris van Financiën heeft echter aangegeven dat na inwerkingtreding van het Multilateraal Instrument (in het bijzonder de zogenaamde Principal Purpose Test) deze verdragsbescherming geweigerd wordt in gevallen waarin de antimisbruikregeling zonder verdrag van toepassing zou zijn.