Lange tijd was onduidelijk of een schending van de Flora- en faunawet (Ffw) tot vernietiging van een Ffw-ontheffing zou moeten leiden of dat de bestuursrechter hiervan zou kunnen afzien op grond van het relativiteitsvereiste. Dit vereiste is neergelegd in artikel 1.9 Chw en artikel 8:69a Awb en bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

In een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA3666) wordt hier duidelijkheid over gegeven. Ten behoeve van het Windpark Noordoostpolder is op grond van de Ffw ontheffing verleend van het verbod op het doden en verwonden van een aantal beschermde vogel- en vleermuissoorten. De ingeroepen normen uit de Ffw strekken tot bescherming van die diersoorten. Het daadwerkelijke belang van de appellanten, die in de omgeving van het windpark wonen, is het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving. De Afdeling overweegt dat het niet in alle gevallen op voorhand uitgesloten behoeft te worden geacht dat de Ffw met de bescherming van diersoorten tevens bescherming biedt aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe leefomgeving van omwonenden. Dit geval doet zich echter hier niet voor.

Het gaat om een ontheffing op grond van de Ffw ten behoeve van een grootschalig windturbinepark. De diersoorten die in het geding zijn betreffen vliegende vogels en vleermuizen. Appellanten wonen op geruime afstand van het op te richten windturbinepark. Niet is gebleken dat met de bescherming van deze vogels en vleermuizen door het niet verlenen van de gevraagde ontheffing tevens de kwaliteit van hun directe leefomgeving in concrete zin wordt beschermd. Daarvoor is een directer verband nodig tussen de kwaliteit van hun directe leefomgeving en de te beschermen vogels en vleermuizen dan waarvan in dit geval kan worden gesproken. Dit betekent dat het betoog van appellanten over de Ffw-ontheffing niet kan leiden tot vernietiging van dat besluit. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van dat betoog.