Volgens het Hof van Beroep van Gent is het verbod op verkoop met verlies in artikel 101 van de wet van 6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en consumentenbescherming (WMPC) strijdig met Richtlijn 2005/29/EG oneerlijke handelspraktijken 1 . Het verbod op verkoop met verlies is dus onwettig en kan geen toepassing vinden. De toekomstige nieuwe wet Marktpraktijken probeert daar een mouw aan te passen zodat de discussie nog steeds niet ten einde lijkt te zijn.

  1. Arrest van het Hof van beroep van Gent

In onze nieuwsbrief van januari 2013 werd melding gemaakt van een vonnis van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Gent van 27 juni 2012 waarin twijfels werden geuit of het Belgische verbod op verkoop met verlies uit art. 101 WMPC wel wettig was 2 . De Gentse rechter stelde daarop een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie dat bij Beschikking van 7 maart 2013 3   oordeelde dat het verbod op verkoop met verlies in strijd is met het Europees recht, en meer bepaald met de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken, doch enkel voor zover dit verbod op verkoop met verlies de bescherming van de consument beoogt 4 .

Het nieuwe arrest van het Hof van beroep te Gent van 16 december 2013 bevestigt dat het verbod op verkoop met verlies strijdig is met de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken en dat het verbod geen toepassing kan vinden. Dat arrest wordt dus een belangrijk precedent.

Het Hof erkent dat het verbod op verkoop met verlies is ingegeven door de wil om diegenen te beschermen die het zich om bepaalde financiële redenen niet kunnen veroorloven om goederen met verlies te verkopen en zo het aantal marktspelers niet aan te tasten. Artikel 101 WMPC wil hiermee de economische belangen van bestaande handelaars beschermen. Tegelijk wijst het Hof erop dat de bepaling tevens een consumentenbeschermende functie heeft. Zo zou de wetgever willen vermijden dat “de consument afhankelijk zou worden van een uitgedund aantal spelers op de kwestieuze markt… waarvan dan gevreesd zou worden dat die “overblijvers” na eerste scherpe (verlies)prijzen te hebben aangeboden, de prijzen naderhand te hoog zouden stellen”.

Het feit dat het verbod op verkoop met verlies tevens de bescherming van de consument beoogt, is doorslaggevend voor de toepassing van de Richtlijn. Aangezien artikel 101 WMPC binnen het toepassingsgebied van de Richtlijn oneerlijke marktpraktijken valt en het daarenboven een algemeen en ongenuanceerd strenger verbod dan de Richtlijn inhoudt (in strijd met artikel 4 van de Richtlijn), is het Belgische verbod op verkoop met verlies volgens het Hof van beroep te Gent onwettig en kan dit verbod bijgevolg geen toepassing vinden.

  1. Bedenkingen

Als andere rechters dit oordeel volgen is het verbod op verkoop met verlies niet meer. Naar analogie met de saga rond de sperperiodes, lijkt de wetgever er echter alles aan te doen om het verbod alsnog te proberen redden. Zo is het verbod opnieuw terug te vinden in het nieuwe boek VI “Marktpraktijken en consumentenbescherming” van het Wetboek Economisch recht, ditmaal voorzien van een nieuwe ratio legis 5 . In de parlementaire voorbereidingen vindt men immers het volgende terug: “Het blijft echter van belang het regime van verbod op verkoop met verlies, zoals het door het voorliggend ontwerp wordt versoepeld, te behouden om de economische belangen van de individuele ondernemingen en dekmo’s te beschermen. (…) De regelgeving heeft dus enkel tot doel het bestaan van een gezonde en loyale concurrentie tussen ondernemingen te waarborgen”.6

In de wettekst zelf heeft de wetgever dit ook nog eens verduidelijkt door er nu in het nieuwe – nog in werking te treden - artikel VI.116, § 1 WER aan toe te voegen (zie onderlijnde tekst): “Teneinde eerlijke marktpraktijken te verzekeren tussen ondernemingen, is het elke onderneming verboden goederen met verlies te koop aan te bieden of te verkopen”.

Of deze vermelding en de ‘nieuwe’ ratio legis (‘pour les besoins de lacause’) voldoende zijn om in de toekomst buiten het toepassingsveld van de Richtlijn te vallen en het verbod op verkoop met verlies alsnog te redden is hoogst onzeker. Nieuwe procedures en rechtsonzekerheid kondigen zich dus jammer genoeg aan.