Onlangs oordeelde het Gerechtshof Amsterdam dat een opdrachtgever geen inzagerecht in het controledossier van de accountant heeft. Er had bij de opdrachtgever een omvangrijke fraude plaatsgevonden en de accountant had desalniettemin goedkeurende verklaringen voor de jaarrekening afgegeven. Hoe kwam het Hof tot dit oordeel en wat betekent dit voor toekomstige zaken?

Achtergrond

De activiteiten van de opdrachtgever bestonden uit de exploitatie van tabakswinkels en de verkoop en distributie van pakjes sigaretten via automaten. KPMG was tot en met 2009 de controlerend accountant van de opdrachtgever. Over de boekjaren 2005 tot en met 2008 waren goedkeurende verklaringen afgegeven. Bij de jaarrekening 2009 werd een oordeelonthouding gegeven.

Een werknemer van de opdrachtgever bekende achteraf sinds 2008 tot en met 2010 pakjes sigaretten te hebben verduisterd en doorverkocht voor eigen rekening. Uit het daaropvolgende onderzoek van de bedrijfsrecherche, bleek dat het om maar liefst 155.000 pakjes sigaretten ging.

De opdrachtgever meende dat de accountant onder andere vanwege de omvang van de fraude geen goedkeurende verklaringen had mogen afgeven. De opdrachtgever hield KPMG aansprakelijk voor de door haar geleden schade. Om te onderbouwen dat de accountant zich niet als een redelijk handelend accountant had gedragen, verzocht de opdrachtgever op grond van artikel 843a Rv om inzage in het controledossier. KPMG weigerde het controledossier echter ter inzage te verstrekken.

In de praktijk komt het steeds vaker voor dat bedrijven bij fraude de accountant aansprakelijk stellen. De accountant had de fraude bij de controle van de jaarrekening moeten constateren, is dan de gedachte. Daarnaast speelt ongetwijfeld op de achtergrond ook een rol dat de accountant voor eventuele beroepsfouten is verzekerd, zodat de opdrachtgever zijn schade mogelijk eenvoudiger bij de accountant kan verhalen dan bij de werknemer die de fraude heeft gepleegd.

Juridisch kader

Op grond van artikel 843a Rv kan een opdrachtgever die over een rechtmatig belang beschikt, van de accountant inzage of afgifte van specifieke bescheiden vorderen. Ook indien de opdrachtgever de accountant aansprakelijk stelt.

Het is vaste rechtspraak dat artikel 843a Rv geen basis biedt voor een 'fishing expedition': een poging waarbij inzage of afgifte van zoveel mogelijk documenten wordt gevraagd in de hoop dat er aanknopingspunten zijn om eventuele aansprakelijkheid te onderbouwen. Bij een fishing expedition gaat het niet om specifieke documenten. Bovendien is het nog maar de vraag welk rechtmatig belang de opdrachtgever bij inzage in de documenten heeft.

Het oordeel van het Hof

Het Gerechtshof kwam net als de rechtbank tot het oordeel dat de opdrachtgever in dit geval geen rechtmatig belang had bij afgifte van de stukken. Het Gerechtshof overwoog – in lijn met de vaste jurisprudentie - dat artikel 843a Rv geen algemeen inzagerecht biedt.

Daarnaast oordeelde het Gerechtshof dat het allereerst aan de opdrachtgever is om te onderbouwen welke specifieke normen door KPMG bij de controlewerkzaamheden zouden zijn geschonden. Vervolgens moet uit de feitelijke uitvoering blijken of KPMG deze norm heeft geschonden. Het is aan de rechter in de aansprakelijkheidszaak om te bepalen of de opdrachtgever heeft voldaan aan haar stel- en bewijsplicht, of dat de opdrachtgever haar stellingen verder zou moeten onderbouwen. Op basis daarvan kan pas worden bepaald of de opdrachtgever rechtmatig belang heeft bij inzage in bepaalde documenten.

Voor een opdrachtgever die overweegt de (controlerend) accountant aansprakelijk te stellen en daarbij afgifte en/of inzage in het controledossier wenst, is het een duidelijk signaal om bij een vordering tot afgifte van documenten goed te onderbouwen waarom de documenten relevant zouden zijn. De opdrachtgever die ervoor kiest om vooruitlopend op de aansprakelijkheidszaak alvast afgifte van (onderdelen van) het controledossier te vorderen in de hoop daar iets aan te treffen, loopt waarschijnlijk op de muziek vooruit.

Gerechtshof Amsterdam d.d. 16 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1322 (uitspraak gepubliceerd op 17 juni 2019)