Dat gemeenten moeilijkheden ondervinden bij het inkopen van voldoende passende jeugdhulp is weer eens gebleken. Nadat eerder de gemeenten Alphen aan den Rijn en Kaag en Braassem op de vingers werden getikt door de voorzieningenrechter, stapten nu een groot aantal zorgaanbieders naar de rechter in een aanbesteding voor jeugdhulp van de regio Rotterdam Rijnmond ("de Regio"). De zorgaanbieders maakten onder meer bezwaar tegen de keuze van de Regio om in de aanbesteding te kunnen sturen op de budgetten, met name omdat die budgetten naar het oordeel van de jeugdzorgverleners (veel) te laag waren. Een ander bezwaar betrof de keuze van de Regio voor een uitvraag in verschillende percelen. Hoe moet integrale jeugdzorg tot stand komen als betrokken dienstverleners die zorg allemaal vauit hun eigen koker leveren? En hoe wordt dan voorzien in de behoefte optimale jeugdzorg te bieden?

In één van deze zaken, die van de Parnassia Groep ("Parnassia"), deed de voorzieningenrechter afgelopen dinsdag uitspraak. Ondanks een voor haar positief gunningsvoornemen, stapte Parnassia naar de rechter om de Regio te verbieden over te gaan tot definitieve gunning van de opdracht, omdat de Regio volgens Parnassia te weinig zorg heeft ingekocht. De Regio heeft op het perceel waar Parnassia op heeft ingeschreven een totaal plafondbudget van € 38,2 miljoen euro ter beschikking gesteld. Dat budget moet worden verdeeld over 8 gecontracteerde zorgaanbieders. Volgens Parnassia is duidelijk dat dat budget veel te laag is, omdat de Regio bij de vaststelling van het budget is uitgegaan van 14.000 kinderen, terwijl het aantal kinderen in zorg hoger ligt en er bovendien nog kinderen op wachtlijsten staan. Parnassia eiste daarom meer budget.

De voorzieningenrechter wijst de bezwaren van Parnassia van de hand met als argument dat het niet aan de rechter is om te bepalen wat het budget voor jeugdzorg moet zijn. Dit oordeel van de voorzieningenrechter is niet verrassend. Het is namelijk niet verboden om te weinig zorg in te kopen. De verplichting van gemeenten om altijd voldoende passende jeugdhulp aan te bieden, volgt alleen uit de Jeugdwet. Het is aan de individuele patiënt om hierover (in rechte) bezwaar te maken op het moment dat een gemeente niet aan die verplichting voldoet. Een voorbeeld daarvan is de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 mei 2017 waarin werd geoordeeld dat de gemeente niet aan haar jeugdhulpplicht had voldaan.

Het inkopen van te weinig zorg is weliswaar niet onrechtmatig, maar de vraag rijst wel of het zinvol is. De door de Regio neergelegde financiële kaders brengen namelijk met zich dat, zodra die kaders worden overschreden, er alleen nog zorgopdrachten mogen worden verstrekt nadat daartoe een nieuwe aanbesteding is georganiseerd. Onduidelijk is waarom de Regio voor een dergelijke ondoelmatige manier van inkoop heeft besloten omdat wellicht vaker dan nodig de markt moet worden opgeroepen tot concurrentie.

Ook ten aanzien van de uitvraag in verschillende percelen rijst opnieuw de vraag of de door de Regio gemaakte keuze doelmatig is. Het verstrekken van één integrale opdracht aan een (consortium van) aanbieder(s) zou nu juist de gewenste integraliteit hebben zeker gesteld en kan voorkomen dat, zoals in het verleden wel aan de orde is geweest, kinderen tussen wal en schip vallen.

Een beschouwing van aanbestedingen niet alleen op het gebied jeugdzorg, maar ook op andere terreinen waar vernieuwing en innovatie een rol kan spelen, leidt al snel tot de gedachte dat aanbestedingen vooral worden gemodelleerd door inkopers, die wellicht gedreven worden door de wens een succesvol inkooptraject te doorlopen zonder juridische escalatie. Uit het oog wordt verloren dat een succesvolle aanbesteding begint met een visie, met beleid. En die visie, dat beleid, zou bepalend moeten zijn voor het inkooptraject. Dat traject moet natuurlijk rechtmatig zijn, maar kan pas succesvol worden genoemd indien dat traject zelf ook vernieuwend en innovatief is zodat het gewenste resultaat ook echt wordt behaald.