Aanknopingspunten voor de “personele” toepassing van de WMPC zijn o.m. “ondernemingen” en “consumenten”. Zo is er slechts een misleidende handelspraktijk in de zin van artikel 88 WMPC als er sprake is van een bepaalde daad die uitgaat van een “onderneming” jegens een “consument”.1 Een “onderneming” wordt in artikel 2, 1° van de WMPC gedefinieerd als  “elke natuurlijke persoon or rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen”. Daarmee zocht de wetgever aansluiting bij de notie “onderneming” in het Belgische en Europese mededingingsrecht.

Uit een arrest van het Hof van Justitie van 3 oktober 2013 volgt dat deze definitie mogelijk niet ruim genoeg is, of minstens dat zij voor wat de toepassing van de WMPC betreft, toch wat breder zal moeten geïnterpreteerd worden dan wat tot op heden werd aangenomen, of gangbaar is voor het gelijkaardige begrip “onderneming” in het mededingingsrecht.2

De zaak betrof een ziekenfonds (BKK) in de vorm van een publiekrechtelijke instelling onder het Duitse wettelijke stelsel van de sociale zekerheid. De feiten betroffen een informatie, verspreid door dit ziekenfonds m.b.t. de gevolgen (lees, de nadelen) die voor de leden gepaard gingen met een overstap naar een ander wettelijke ziekenfonds. Het was niet betwist dat er in de informatie een misleiding zat. Het Bundesgerichtshof in Duitsland vroeg zich echter af of dit ziekenfonds wel een economische activiteit uitoefende, en niet eerder een zuiver sociaal doel nastreefde (welke er dan volgens het Duitse gerecht toe zou leiden dat de praktijk buiten de Richtlijn zou vallen omdat het ziekenfonds dan geen onderneming was).

Voor de beantwoording van de vraag stelt het Hof vooreerst vast dat het begrip ‘handelaar’ en ‘onderneming’ door elkaar worden gebruikt in de Richtlijn, maar dat ze wel dezelfde betekenis moeten hebben. Vervolgens verwijst het Hof naar de definitie van “handelaar” in artikel 2(b) van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken: “een natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelspraktijken verricht die onder deze richtlijn vallen en die betrekking hebben op zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit, alsook degene die in naam van of voor rekenschap van hem optreedt”. Deze definitie is zeer ruim volgens het Hof en is van toepassing zodra een natuurlijke persoon of rechtspersoon “een activiteit tegen betaling uitoefent, waarbij instellingen met een taak van algemeen belang of met een publiekrechtelijke vorm niet worden uitgesloten”.

Vervolgens kiest het Hof volop de kaart van de consumentenbescherming door erop te wijzen dat de doelstelling van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken “erin bestaat de consument ten volle te beschermen tegen dergelijke praktijken en dit voorkomt “uit de omstandigheid dat de consument zich tegenover een handelaar in een zwakkere positie bevindt, in die zin dat hij als de economisch zwakkere en juridisch minder ervaren contractpartij moet worden beschouwd”. En het Hof gaat dan verder op zijn elan:

36.   Voorts heeft het Hof reeds geoordeeld dat voor de uitlegging van deze richtlijn het begrip consument een doorslaggevende rol speelt en dat de bepalingen ervan voornamelijk zijn opgesteld met het oog op de consument als bestemmeling en slachtoffer van de oneerlijke handelspraktijken (zie in die zin arresten van 12 mei 2011, Ving Sverige, C‑122/10, Jurispr. blz. I‑3903, punten 22 en 23, en 19 september 2013, CHS Tour Services, C‑435/11, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 43).

37.   In een situatie zoals die in het hoofdgeding lopen de leden van BKK, die duidelijk moeten worden beschouwd als consumenten in de zin van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken, het risico te worden misleid door de misleidende informatie die deze instelling heeft verspreid en hen belet een geïnformeerde keuze te maken (zie punt 14 van de considerans van die richtlijn), zodat zij ertoe worden gebracht een besluit te nemen dat zij zonder die informatie niet hadden genomen, zoals is bepaald in artikel 6, lid 1, van die richtlijn. In dat verband is irrelevant of het gaat om een publiekrechtelijke of particuliere instelling en welke specifieke taak zij behartigt.

De conclusie is dan logisch:

38.   Gelet op een en ander moet een instelling zoals BKK worden beschouwd als een „handelaar” in de zin van die richtlijn.

39.   Deze uitlegging is immers de enige die de volle werking van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken verzekert, daar zij waarborgt dat, overeenkomstig het vereiste van een hoog niveau van consumentenbescherming, oneerlijke handelspraktijken doeltreffend worden bestreden.”

Hoewel het arrest niet het volledige wettelijke Duitse kader van de betrokken instellingen weergeeft, kan er wel op gewezen worden dat ziekenfondsen die een wettelijke taak binnen de sociale zekerheid uitoefenen, onder het kartelrecht niet als onderneming worden beschouwd. Dat had het Hof ook al bevestigd m.b.t. de Duitse ziekenfondsen3. In die zin lijkt het huidige arrest dus wel degelijk een ruimere definitie te hanteren van welke entiteiten (en dus van het begrip “onderneming”) onder de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken vallen dan wat het geval is onder het mededingingsrecht.

De conclusie van dit arrest is uiteraard vooreerst dat de Belgische ziekenfondsen nu zullen moeten realiseren dat zij in beginsel ook voor hun kerntaak van sociale zekerheid onder het toepassingsgebied van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken vallen. Tot op heden werd aangenomen dat zij enkel “onderneming” waren voor hun niet-kerntaken (zoals het aanbieden van aanvullende hospitalisatieverzekeringen4). Een tweede gevolg is dat de Belgische wetgever doorheen de wet marktpraktijken het begrip “onderneming” ruimer zal moeten (her)definiëren telkens het gaat om de omzetting van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken (en ook sommige andere richtlijnen)5, of zal moeten kiezen voor een ander aanknopingspunt6 om zo verwarring met het bestaande begrip “onderneming” uit het mededingingsrecht te vermijden.