Per 1 januari a.s. treedt de nieuwe Wet natuurbescherming (“Wnb”) in werking. Dit blog gaat over de planologische doorwerking daarvan. De toets aan de normen ter bescherming van natuurgebieden blijft bestaan. De waarde die onder de Wnb gehecht wordt aan het planologisch instrumentarium maakt echter wel dat het belang van bestemmingsplannen voor natuurwaarden groter wordt.

Passende beoordeling

De toets wat planologische besluiten betreft – naast bestemmingsplannen dient hier o.a. gedacht te worden aan inpassingsplannen – blijft in grote lijnen hetzelfde als in de thans geldende Natuurbeschermingswet 1998 (“Nbw”). Net als op grond van het huidige 19j-artikel in de Nbw dient het bestuursorgaan dat een plan vaststelt, rekening te houden met de effecten van dat plan voor Natura 2000-gebieden (zie het nieuwe art. 2.7 Wnb). Wanneer significante effecten op de instandhoudingdoelstellingen van een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten, moet een passende beoordeling worden opgesteld. Het bestemmingsplan mag vervolgens enkel worden vastgesteld als uit de passende beoordeling zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. Mocht uit een uitgevoerde passende beoordeling, waarbij mitigerende maatregelen mogen worden betrokken, blijken dat effecten nog steeds niet zijn uit te sluiten dan moet de zogenaamde ADC-toets worden doorlopen. Een bestemmingsplan mag dan worden vastgesteld in geval alternatieven ontbreken, dwingende redenen van openbaar belang zich voordoen en is voorzien in adequate compensatie van de aangetaste natuurwaarden. De rol van de natuurwetgeving op de planvorming zal kortom in dat opzicht niet wijzigen.

Loskoppeling passende beoordeling en MER

Een wijziging die wel van invloed zal zijn op de planvorming is de loskoppeling van de passende beoordeling en de milieueffectrapportage (“MER”). Onder de huidige regelgeving is het zo dat voor een plan waarvoor een passende beoordeling dient te worden uitgevoerd ook een plan-MER dient te worden opgesteld (art. 7.2a, lid 1 Wet milieubeheer). Het huidige artikel 19j lid 4 Nbw schrijft voor dat de passende beoordeling deel uitmaakt van het MER. Onder de Wnb vervalt deze koppeling. Het is dan niet langer noodzakelijk een passende beoordeling uit te voeren als onderdeel van het MER, maar deze beoordeling kan ook worden uitgevoerd na afronding van de MER. Aanpassingen die voortkomen uit het MER kunnen op deze manier worden meegenomen in de passende beoordeling. Op deze wijze ontstaat meer flexibiliteit voor het bevoegd gezag zonder dat dit ten koste gaat van natuurbelangen. De mogelijkheid om een integraal onderzoek te doen waarvan zowel de MER als de passende beoordeling onderdeel uitmaken, zal overigens blijven bestaan. Verder blijft wel de hiervoor genoemde verplichting bestaan om een passende beoordeling uit te voeren als een plan-MER moet worden opgesteld.

Bescherming natuurwaarden

Naast voornoemde wijziging van de koppeling tussen de passende beoordeling en de MER, volgt uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2011-2012, 33 348, nr. 3) bij de Wnb dat de wetgever meer waarde hecht aan het planologische instrumentarium. Voor de bescherming van natuurschoonwaarden, waaronder landschappelijke waarden, en van natuurwetenschappelijk waarden, verwijst de wetgever naar de instrumenten uit de Wet ruimtelijke ordening (“Wro”) die gemeentes en provincies kunnen inzetten. Voor deze en andere aspecten die niet binnen het bereik van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen – zoals het Natuurnetwerk Nederland waartoe geen Natura 2000-gebieden behoren (p. 23-24) – volstaat volgens de wetgever de planologische bescherming. De provincies krijgen ook de bevoegdheid om specifieke gebieden aan te wijzen vanwege natuurwaarden of landschappelijke waarden (zie art. 1.12, lid 3 Wnb). Dit zijn gebieden die niet vallen binnen de Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk Nederland. Uit de memorie van toelichting kan worden afgeleid dat provincies met deze nieuwe bevoegdheden bijvoorbeeld natuurmonumenten onder een provinciaal beschermingsregime kunnen brengen.

In het huidige Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (“Barro”) zijn er in het kader van het Natuurnetwerk Nederland ook al opdrachten aan provincies opgenomen om gebieden van het natuurwerk aan te wijzen en om te regelen dat gemeenten die gebieden via het beschermingsplan beschermen met het in het besluit voorgeschreven regime. De provincies kunnen daarnaast bij provinciale verordening eisen stellen aan gemeentelijke bestemmingsplannen dan wel zelf een provinciaal inpassingsplan vaststellen waarin de regels kunnen worden afgestemd op de specifiek benoemde landschappelijk waarden en natuurwaarden. Het voorgaande kunnen provincies ook gaan doen voor de bijzondere provinciale natuurgebieden of de bijzondere provinciale landschappen. De Wnb beoogt dat de rol van deze plannen in het kader van de bescherming van natuurbelangen groter wordt.

Afronding

Vanwege het Europese kader treden er geen grote veranderingen op in de doorwerking van de gebiedsbescherming naar planologische besluiten. Het belangrijkste is de rol die de planologie krijgt toebedeeld bij de bescherming van waarden die niet vallen binnen het Europese kader. Deze rol is niet alleen genormeerd in de Wnb zelf, maar volgt ook uit de Wro.

Dit is een blog in de serie “Nieuwe Wet natuurbescherming”. Een overzicht van alle blogs in deze serie kunt u hier vinden.