Indien een ontwikkelaar een bouwplan wil realiseren, dient hij te voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Om ervoor te zorgen dat deze gelegenheid daadwerkelijk wordt gerealiseerd, verbindt het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning voor bouwen in de regel een voorschrift dat in een bepaald aantal parkeerplaatsen dient te worden voorzien. Het bevoegd gezag kan echter niet door middel van een vergunningvoorschrift bewerkstelligen dat parkeerplaatsen die op privéterrein zullen worden gerealiseerd, voor een ieder openbaar en vrij toegankelijk dienen te worden gemaakt. Dit volgt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de “Afdeling”) van 31 mei 2017.

Achtergrond

Appellant is in het bezit van een onherroepelijke omgevingsvergunning voor het slopen van de bestaande bebouwing en de bouw van een pand met 11 appartementen op zijn perceel in Montfoort. Voor het realiseren van een extra appartement op de begane grond van het pand heeft het college van burgemeester en wethouders van Montfoort (het “College”) een nieuwe omgevingsvergunning verleend aan Appellant. Als voorschrift aan deze omgevingsvergunning is verbonden dat “ook de extra te realiseren parkeerplaats openbaar en vrij toegankelijk dient te zijn”. In de overwegingen van het besluit staat hierover dat ten behoeve van het te realiseren appartement een extra parkeerplaats op eigen terrein is vereist en dat voor deze parkeerplaats hetzelfde geldt als voor parkeerplaatsen die gerealiseerd moeten worden voor de 11 appartementen.

Appellant is het niet eens met het gestelde voorschrift. Volgens Appellant is het niet mogelijk om het voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden aangezien de vereiste functionaliteit ontbreekt. Er zijn volgens Appellant bovendien geen parkeerproblemen, waardoor het College volgens hem ten onrechte geen kenbare planologische afweging heeft gemaakt.

Afwegingen College

De extra parkeerplaats die Appellant zal realiseren, zal – net als de parkeerplaatsen voor de 11 appartementen – gelegen zijn op een perceel op 100 meter afstand van het nieuwe appartementencomplex. Volgens het College leidt deze afstand tussen het appartementencomplex en het perceel ertoe dat de bewoners van de appartementen op dichter bijgelegen, openbare parkeerplaatsen zullen gaan parkeren. De parkeerdruk in de omgeving van het appartementencomplex zal daardoor stijgen. Het College verlangt daarom van Appellant dat hij de parkeerplaatsen op zijn perceel aan eenieder beschikbaar stelt.

Openbaarheid parkeerplaatsen

De belangen die het College wenst te beschermen door middel van het voorschrift, houden verband met de belangen opgenomen in artikel 2.5.30 lid 4 aanhef en onder b van de plaatselijke bouwverordening. Dit artikel ziet op het belang bij de aanwezigheid van voldoende parkeerruimte ten behoeve van een bouwplan, anders dan op eigen terrein. Gezien artikel 2.22 lid 2 Wabo, gelezen in samenhang met artikel 2.10 lid 1 aanhef en onder b Wabo, was het College bevoegd ten behoeve van dit belang een voorschrift aan de vergunning te verbinden. Op grond van voornoemde artikelen kunnen aan een omgevingsvergunning voor bouwen immers voorschriften worden verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is opgenomen in de bouwverordening. Het College heeft het voorschrift van de extra aan te leggen parkeerplaats echter niet gekoppeld aan de aangevraagde activiteit. Het voorschrift legt aan Appellant slechts in algemeenheid de verplichting op om een ieder toegang te verlenen tot zijn perceel om daar een motorvoertuig te kunnen parkeren.

Een bijkomend aspect is dat de uitweg naar het perceel van Appellant ook in eigendom is van Appellant en daarmee – net als het perceel – privéterrein betreft. Het voorschrift heeft daardoor mede tot gevolg dat Appellant dient te dulden dat openbaar verkeer gebruik maakt van zijn uitweg om het perceel te bereiken. De Afdeling heeft echter eerder overwogen dat uit het stelsel van de Wegenwet volgt dat rechthebbenden op een weg slechts alle verkeer – behoudens beperkingen als bedoeld in artikel 6 Wegenwet – hebben te dulden wanneer de weg openbaar is in de zin van artikel 4 van de Wegenwet. Daar is in het voorliggende geval geen sprake van. Het perceel van Appellant is ook niet openbaar geworden door het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift. De Afdeling is daarom van oordeel dat het gestelde voorschrift in strijd is met artikel 2.5.30 lid 4 aanhef en onder b van de bouwverordening. Er wordt namelijk niet voorzien in voldoende parkeergelegenheid, anders dan op eigen terrein. Het voorschrift omtrent de openbaarheid en vrije toegankelijkheid van de parkeerplaats is volgens de Afdeling dan ook in strijd is met artikel 2.22 lid 2 Wabo.

Lessen voor de praktijk

Toenemende parkeerdruk als gevolg van een bouwplan kan niet worden bestreden met een voorschrift dat privéparkeerterrein openbaar toegankelijk dient te worden gemaakt. Openbaarheid van privéterrein of privéwegen kan niet met een vergunningvoorschrift worden bewerkstelligd. Medewerking van de rechthebbende in de vorm van een overeenkomst of aanwijzing van de weg/het terrein als openbaar is, zal voor openbaarheid zijn vereist (verjaring uitgezonderd).

Vergunningvoorschriften dienen daarnaast expliciet gekoppeld te zijn aan het aangevraagde bouwplan. Het is niet voldoende dat uit de overwegingen van het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning blijkt wat de relatie is tussen het voorschrift en het bouwplan. Voorschriften dienen duidelijk het verband met het bouwplan weergeven.