In het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687, RvdW 2016/1206 inzake FNV/Condor, heeft de Hoge Raad zich gebogen over de uitleg van een sociaal plan. In tegenstelling tot eerdere arresten over de uitleg van een CAO en een sociaal plan, zijn niet de bewoordingen van het sociaal plan doorslaggevend, maar geldt de bedoeling van de opstellers.

De feiten inzake FNV/Condor zijn aldus:

Condor is enig aandeelhouder en bestuurder van Ossfloor Tapijt Fabrieken B.V. Ossfloor brengt in 2010 naar buiten dat zij een grootschalige reorganisatie wil bewerkstelligen. Ossfloor en FNV hebben een akkoord gesloten over een sociaal plan. De ondernemingsraad van Ossfloor is akkoord gegaan met het sociaal plan, onder de voorwaarde dat Condor voor de circa 35 werknemers die bij Ossfloor in dienst zijn gebleven, schriftelijk zou verklaren dat het plan genoeg waarborgen voor de nabije toekomst geeft.

In 2011 wordt het faillissement van Ossfloor uitgesproken. De werknemers die nog in dienst van Ossfloor zijn gebleven, zijn ontslagen.

Een jaar daarvoor zijn bij de hiervoor bedoelde reorganisatie al circa 80 andere werknemers hun baan kwijt geraakt. In het sociaal plan is uitdrukkelijk vermeld dat het sociaal plan uitsluitend geldt voor het personeel dat als gevolg van de reorganisatie overbodig is geworden.

FNV start een geding tegen Condor. In dit geding vordert FNV dat Condor wordt veroordeeld tot het nakomen van het sociaal plan tegenover de werknemers die niet onder de reorganisatie vallen, maar uit hoofde van het faillissement van Ossfloor alsnog hun baan hebben verloren.

Condor verweert zich met een beroep op de zogenaamde CAO-norm: het sociaal plan is niet van toepassing op de resterende werknemers, nu de bedoeling van partijen om bescherming te bieden niet kenbaar is uit de bewoordingen van het sociaal plan of uit andere voor derden kenbare bronnen.

Het hof conformeert zich aan deze ‘objectieve’ uitlegmethode en gaat voorbij aan het beroep van FNV op de bedoeling van partijen met het plan.

In cassatie betoogt FNV dat het hof heeft miskend dat in casu wel rekening moet worden gehouden met de niet kenbare bedoeling van partijen en met de niet-openbare bescheiden.

De Hoge Raad oordeelt als volgt:

Ingevolge vaste rechtspraak geldt voor de uitleg van een bepaling van een CAO en ook de uitleg van een sociaal plan de zogenaamde CAO-norm. Voor wat betreft deze uitleg oordeelde de Hoge Raad dat de bewoordingen van de betreffende bepalingen, gelezen in het licht van de hele tekst van de overeenkomst, in beginsel doorslaggevend zijn.

De ratio van de CAO-norm is gelegen in de bescherming van derden tegen een uitleg van een bepaling in een overeenkomst waarbij belang wordt gehecht aan de voor hen niet-kenbare partijbedoelingen en in de noodzaak van een uniforme uitleg van alle, ten gevolge van die overeenkomst gebonden partijen.

De Hoge Raad oordeelt dat, mede gelet op de ratio van de CAO-norm, een van die norm afwijkende uitleg denkbaar is voor een geval als in casu, waarin het gaat om de vraag of een groep werknemers die, uitgaande van de bewoordingen van een sociaal plan, buiten de werkingssfeer daarvan valt, daaraan niettemin rechten kan ontlenen.

De Hoge Raad hanteert hier de zogenaamde Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635), waarbij het gaat om een meer subjectief criterium.

Voor de beantwoording van de vraag hoe een bepaling in een contract moet worden uitgelegd, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

In het bekende arrest DSM/Fox (Hoge Raad 20 februari 2004 ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493), heeft de Hoge Raad geoordeeld dat tussen de Haviltex-norm en de CAO-norm geen tegenstelling bestaat maar een vloeiende overgang, en dat de redelijkheid en billijkheid een belangrijke rol spelen.

Het arrest van de Hoge Raad inzake FNV/Condor geeft aan dat de scheidslijn tussen de Haviltex-maatstaf en de CAO-norm vaag is en is tevens een goed voorbeeld hoe de redelijkheid en billijkheid kunnen worden gehanteerd.

De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar het Hof ’s-Hertogenbosch. Dit zal moeten beoordelen of de achtergebleven werknemers bescherming kunnen ontlenen aan de garantstelling van Condor en of zij een vergoeding kunnen krijgen berekend op basis van het sociaal plan.

De ratio van het sociaal plan met als belangrijke factor de bescherming van de achtergebleven werknemers speelt in casu een cruciale rol.