Het Ministerie van Financiën heeft vandaag een voorstel gepubliceerd om de btw-herziening uit te breiden. Nu geldt er alleen een herzieningsregeling voor investeringsgoederen, maar straks dus ook voor diensten. Voor de praktijk zal dit ingrijpende gevolgen hebben, zo zullen de administratieve lasten voor sommige ondernemers aanzienlijk omhoog gaan. De grootste implicaties zijn te voorzien voor de vastgoedsector en voor ondernemers die slechts een gedeeltelijk btw-aftrekrecht hebben.

Onder de huidige regels wordt de btw-aftrek op investeringsgoederen gevolgd gedurende vijf jaar bij roerende zaken en tien jaar bij onroerende zaken. In de voorgestelde regeling zal dit ook gaan gelden voor zogenoemde ‘kostbare diensten’. Hierbij gaat het om (investerings)diensten die een ondernemer inkoopt en voor een langere periode binnen zijn onderneming gebruikt. Het doel van de voorgestelde regeling is volgens het Ministerie van Financiën om een onevenwichtigheid tussen de btw-aftrek op investeringsgoederen enerzijds en investeringsdiensten anderzijds weg te nemen.

Op basis van het voorstel zal een herzieningsperiode gaan gelden voor diensten waarop de ondernemer voor de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting afschrijft, of zou kunnen afschrijven. Te denken valt aan verbouwingen, intellectuele eigendomsrechten en IT-diensten, zoals de aanschaf van software.

Het is de bedoeling van het Ministerie van Financiën dat deze regeling per 1 januari 2018 zal gelden.

Wat betekent dit voor de praktijk

Waar de btw-aftrek ten aanzien van kostbare diensten nu na één boekjaar al definitief is, zou dat straks niet het geval zijn. Ondernemers worden dan namelijk ook bij kostbare diensten verplicht bij gewijzigd gebruik de oorspronkelijke btw-aftrek te corrigeren. Hierdoor zou een ondernemer geconfronteerd kunnen worden met meer situaties waarop de herziening van toepassing is. Dit zal gepaard gaan met een administratieve lastenverzwaring.

Voor de vastgoedsector ontstaan bijzondere complicaties voor transacties met verhuurd vastgoed. De koper treedt dan in de btw-voetsporen van de verkoper. Hij heeft daardoor straks de verplichting om jaarlijks na te gaan of hij als koper btw moet terugbetalen die de verkoper in aftrek heeft gebracht.

Het voorgaande zou mogelijk ook betrekking kunnen hebben op kostbare diensten die vóór 1 januari 2018 zijn ingekocht. Volgens het gepubliceerde voorstel komt er namelijk geen overgangsregeling.

Internetconsultatie

Het Ministerie van Financiën biedt betrokkenen gelegenheid om te reageren op de voorgenomen wijziging. Een tekstvoorstel met toelichting is online gepubliceerd. Iedereen kan tot en met 15 juni 2017 door middel van een vragenformulier op het voorstel reageren.