De dwangsom bij niet tijdig beslissen, de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen (lex silencio positivo) en het beroep bij niet tijdig beslissen zijn drie verschillende instrumenten uit de Algemene wet bestuursrecht om de overheid te bewegen om bij vertraging in strijd met de wet alsnog met een besluit te komen.

Op 15 januari 2014 heeft de minister van Veiligheid en Justitie mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het rapport “B.J. Schueler e.a., Evaluatie van een drietal versnellingsinstrumenten uit de Awb” aangeboden aan de Tweede Kamer. De Kamerbrief en het volledige rapport treft u hier aan. Dit WODC evaluatierapport is opgesteld door een onderzoeksteam van de Universiteit Utrecht en Twynstra Gudde Adviseurs en Managers. Ik vond het interessant om deel te mogen nemen aan het expertteam dat de eerste bevindingen van de onderzoekers voorgelegd heeft gekregen, om aan de hand van de eerste onderzoeksresultaten en eigen ervaringen te kunnen meedenken over de huidige versnellingsinstrumenten en andere mogelijkheden om te zorgen dat besluitvorming van de overheid niet onnodig lang op zich laat wachten.

Het onderzoek betreft een evaluatie van een drietal versnellingsinstrumenten. Het gaat daarbij om: de dwangsom bij niet tijdig beslissen (paragraaf 4.1.3.2 Awb), de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen (de Lex silencio positivo; paragraaf 4.1.3.3 Awb) en het (rechtstreekse) beroep bij niet tijdig handelen (afdeling 8.2.4a Awb). De onderzoekers zijn nagegaan of en in welke mate deze instrumenten zijn ingezet en vervolgens of deze drie instrumenten inderdaad hebben bijgedragen aan het bespoedigen van besluitvorming door bestuursorganen. Conclusie van de onderzoekers is dat de instrumenten in de praktijk niet veel worden ingezet. De belangrijkste verklaring die de onderzoekers daarvoor geven is dat de bekendheid met deze instrumenten bij burgers en bedrijven beperkt is. Een tweede verklaring die de onderzoekers geven is, dat burgers en bedrijven er in veel gevallen van afzien een versnellingsinstrument in te zetten om zo een constructieve relatie met de overheid te behouden.

Ten slotte is onderzocht of en zo ja welke knelpunten zich in de praktijk hebben voorgedaan bij de inzet van deze versnellingsinstrumenten. Eén van de gesignaleerde knelpunten betreft misbruik van de dwangsom door middel van het indienen van oneigenlijke Wob-verzoeken (Wob; staat voor: Wet openbaarheid van bestuur). Er wordt door de verzoeker in die gevallen een omvangrijk of onduidelijk Wob-verzoek ingediend bij een bestuursorgaan. Het gaat de verzoeker niet om de informatie waar hij om verzoekt, maar dat vereist de Wob ook niet. Als vervolgens niet tijdig wordt beslist wordt het bestuursorgaan in gebreke gesteld en kan de verzoeker uiteindelijk een maximale dwangsom van € 1260,- incasseren op grond van de dwangsomregeling in de Awb. Deze oneigenlijke Wob-verzoeken komen bij een aantal bestuursorganen op grote schaal voor, zo volgt uit het onderzoek. Het is in die gevallen de verzoeker niet om de informatie te doen, maar om “zand in de machine” te strooien of om het geldelijk gewin. De dwangsom heeft hier dus niet het gewenste effect om het handelen van de overheid te doen versnellen, maar werkt eerder vertraging in de hand.

Onderzoekers komen in het onderzoek naar aanleiding van de interviews en de expertmeeting met de volgende oplossingen voor het oneigenlijk gebruik van de Wet dwangsom bij Wob-verzoeken: (1) De eenvoudigste is het uitzonderen van alle Wob-verzoeken van de dwangsomregeling. Maar de onderzoekers signaleren nadelen aan die oplossing. (2) Het anders vormgeven van de dwangsom. De onderzoekers wijzen daarbij op het volgende “Het door het bestuursorgaan te betalen bedrag gaat in de huidige regeling naar de verzoeker. Dat is de perverse prikkel die sommigen aanzet tot grootschalig misbruik van de dwangsom. Die perverse prikkel verdwijnt, indien het bedrag van de dwangsom niet meer aan de verzoeker ten goede komt. In het expertpanel werd het idee opgeworpen van een special fonds, waar de betaalde dwangsommen in terechtkomen. De middelen van dat fonds kunnen bijvoorbeeld worden aangewend voor verbetering van openbaarheid en transparantie bij de overheid. Zo zou de prikkel om tijdig te beslissen op Wob-verzoeken blijven bestaan. En de perverse prikkel die aanzet tot misbruik van de dwangsom zou verdwijnen. In deze constructie kan de ingebrekestelling, zoals de huidige regeling die kent, blijven bestaan. Het initiatief om aan te zetten tot versnelling blijft zo in handen van de verzoeker.” (p. 49 van het rapport)

Een derde oplossing die ook in het expertpanel is besproken, is “of het misbruik van de dwangsom door middel van het indienen van oneigenlijke Wob-verzoeken kan worden bestreden door de Wob te wijzigen en daarbij de verplichting tot spontane openbaarmaking te verruimen, zodat er minder informatie overblijft die door middel van verzoeken wordt verkregen. Als er minder verzoeken (kunnen) worden ingediend, kunnen er ook minder dwangsommen worden verbeurd. Een dergelijke wijziging zou de omvang van het misbruik kunnen beperken. Maar er zal behoefte blijven bestaan aan de figuur van het Wob-verzoek. Want niet alle informatie kan door de overheid spontaan openbaar worden gemaakt en daarom zal de vraag blijven terugkeren of bepaalde informatie ten onrechte aan de openbaarheid wordt onttrokken.” (p. 49 van het rapport)

Nu maar hopen dat voor het in dit rapport gesignaleerde probleem met de dwangsom bij oneigenlijke Wob-verzoeken een oplossing wordt gezocht en gevonden door de wetgever. Mijn voorkeur gaat uit naar het genoemde fonds een oplossing waarbij de serieuze niet op dwangsommen beluste Wob-verzoeker nog altijd een middel in handen houdt om op te komen tegen niet tijdig beslissen.