Belgisch verbod op verkoop met verlies strijdig met EU-recht

Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Belgisch verbod op verkoop met verlies in strijd is met het Europees recht voor zover dit verbod op verkoop met verlies de bescherming van de consument beoogt. Hiermee lijkt deze discussie beslecht. Maar schijn kan bedriegen. Mogelijk zullen sommigen nu proberen te argumenteren dat het verbod op verkoop met verlies niet de consument beoogde te beschermen, maar de eerlijke concurrentie tussen handelaren. En dan is er plots geen strijdigheid meer met het Europees recht. We dreigen dus in dezelfde saga terecht te komen als met de sperperiode, met jaren rechtsonzekerheid tot gevolg.

1. Beslissing Hof van Justitie

Bij beschikking van 7 maart 2013 welke pas vorige week werd gepubliceerd, heeft het Europees Hof van Justitie geoordeeld dat het Belgisch verbod op verkoop met verlies in strijd is met het Europees recht, meer bepaald met de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken1, voor zover dit verbod op verkoop met verlies de bescherming van de consument beoogt.2.

Het arrest lijkt kristalhelder: artikel 101 van de Wet Marktpraktijken welke het verbod op verkoop met verlies vastlegt, is onwettig.

De redenen voor het oordeel van het Hof zijn eenvoudig en zijn dezelfde als deze die het Hof heeft gebruikt om eerder het verbod op gezamenlijke aanbiedingen en ook de regels inzake de sperperiode naar de prullenmand te verwijzen.

Ten eerste maken verkopen met verlies ?deel uit van de commerci?le strategie van een ondernemer en houden zij rechtstreeks verband met de verkoopbevordering en de afzet van zijn producten?. Daarom is een verkoop met verlies een handelspraktijk in de zin van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken. Deze richtlijn laat een lidstaat enkel nog toe om een limitatief opgesomd aantal specifieke praktijken te verbieden in zijn nationale wetgeving. Een verbod op verkoop met verlies staat niet in die lijst. Bijgevolg kan een lidstaat dergelijke verkoop met verlies niet meer principieel verbieden in zijn nationale wetgeving. Dat wil niet zeggen dat een verkoop met verlies nooit meer in strijd kan zijn met de eerlijke marktpraktijken. Een verkoop met verlies welke agressief, misleidend of oneerlijk zou zijn (volgens de definities van de Richtlijn Oneerlijke Marktpraktijken die zijn overgenomen in de Wet Marktpraktijken) zou dus in bepaalde omstandigheden alsnog kunnen worden verboden maar dat zal dan eerder de uitzondering zijn. De regel is dus duidelijk: verkoop met verlies kan niet per se worden verboden.

Ten tweede is de vraag of het verbod op verkoop met verlies beoogt de consument te beschermen. De Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken is immers enkel toepasselijk op handelspraktijken die (mede) beogen de consument te beschermen (B2C). Een handelspraktijk die er enkel op ziet de handelaren te beschermen tegen andere handelaren zonder dat ook consumentenbescherming meespeelt, valt buiten de Richtlijn Oneerlijke Marktpraktijken. In de huidige zaak echter, had de verwijzende rechter uit Gent3 zelf al vastgesteld dat de regeling inzake verkoop met verlies ook de belangen van de consument beschermde en niet enkel de belangen van handelaren. Zodoende nam het Hof van Justitie dat als een vaststaand feit aan en kon het zonder meer besluiten dat het Belgisch verbod in strijd was met het Europees recht.

2. Is deze zaak hiermee nu definitief beslecht?

Ondanks het duidelijke arrest van het Hof van Justitie riskeert het antwoord op deze vraag negatief te zijn. Naar analogie met de saga rond de sperperiode valt te verwachten dat vanuit sommige hoeken nu zal geargumenteerd worden dat de eerste rechter zich heeft vergist en dat het verbod op verkoop met verlies niet beoogt om (ook) de belangen van de consument te beschermen. Alternatief zullen mogelijk sommigen opperen dat men bij een volgende wetswijziging het verbod gewoon opnieuw bevestigt met in de memorie van toelichting een passage dat de wetgever enkel de belangen van de handelaren beoogt te beschermen. Zodoende zullen sommigen hopen het verbod op verkoop met verlies buiten het toepassingsgebied van de Richtlijn te houden. Net zoals bij de sperperiode riskeert men in Belgi? dus nog jaren juridische onzekerheid rond deze thematiek.

Een andere aanpak van het Hof van Justitie (en de Belgische wetgever) zou een oplossing kunnen bieden. Zo zou het Hof van Justitie bijvoorbeeld kunnen verduidelijken dat de vraag of een bepaling de consument beoogt te beschermen niet moet beantwoord worden vanuit de (subjectieve) doelstelling van de wetgever, maar vanuit de aard van de praktijk zelf waarbij het Hof van Justitie dit dan zelf zou kunnen beslissen. Zoniet, riskeert men dat eenzelfde bepaling in het ene land wel in strijd is met het Europees recht en in het andere land niet.

Het nieuwe arrest van het Hof van Justitie toont echter wel aan dat het een onomkeerbaar proces is dat de huidige wet marktpraktijken meer en meer afbrokkelt en onder druk staat. Het volgende slachtoffer zal ongetwijfeld de reglementering inzake de aankondigingen van prijsverminderingen zijn. Zoals bekend heeft de Europese Commissie hiervoor Belgi? ook al voor het Hof van Justitie gedaagd.4

Wordt dus vervolgd?