Oneerlijke concurrentie in de sport, het komt in verschillende verschijningsvormen voor. Denk aan het omvangrijk dopingschandaal waarbij Rusland werd geweerd van de Olympische Winterspelen in PyeongChang. Van concurrentievervalsing kan ook sprake zijn als sportbonden of sponsors zich niet aan de mededingingsregels houden. Het is vaste rechtspraak dat gedragingen van sportbonden en sponsors en afspraken tussen sportbonden, sponsors en sporters aan het mededingingsrecht onderworpen zijn. De laatste tijd wordt door sporters steeds vaker met succes een beroep op een schending van het kartelverbod of het verbod op misbruik van machtspositie gedaan. Ook mededingingsautoriteiten nemen een actievere rol in. In deze blog worden de ontwikkelingen op het gebied van sport en mededinging op een rij gezet.

Exclusiviteit

Sportbonden, sponsors en sporters hebben elkaar nodig. De bond organiseert de wedstrijden en genereert daarmee inkomsten. De topsporter trekt op zijn of haar beurt sponsoren aan en stimuleert de kaartverkoop. Dit geeft sportbonden en sponsors dan ook een prikkel om sporters (contractueel) exclusief aan zich te binden. Dit is niet altijd toegestaan.

Een voorbeeld betreft de exclusiviteit die de Internationale Schaatsunie (“ISU”) van schaatsers verlangde. Schaatsers konden levenslang worden verbannen als zij deelnamen aan niet door de ISU goedgekeurde wedstrijden. Op die manier kon de ISU voorkomen dat sporters deel zouden nemen aan evenementen die door andere bonden werden georganiseerd. Onder meer oud-Olympisch kampioen Mark Tuitert en ex-shorttracker Niels Kerstholt waren het met deze bepaling oneens en besloten (met succes) een klacht bij de Europese Commissie in te dienen.

De Europese Commissie kwam tot de conclusie dat de regelgeving van de ISU concurrentiebeperkend is. Volgens de Commissie was er geen rechtvaardiging voor een verbod op deelname aan niet goedgekeurde evenementen. De ISU verhinderde dat concurrerende evenementen zouden worden georganiseerd, waardoor de ISU haar eigen concurrentiepositie wist te beschermen. De Commissie kwam tot de conclusie dat de exclusiviteitsbepaling tot doel (en tot gevolg) had de mededinging te beperken. De ISU is tegen deze beschikking in beroep gegaan.

De regels van de ISU over een verbod op deelname aan andere sportwedstrijden zijn niet uniek. Zo onderzoekt de Commissie een klacht over een soortgelijke regel van Turkish Airlines Euroleague tegen de Internationale basketbalfederatie (FIBA) en heeft de Belgische Mededingingsautoriteit (“BMa”) in een voorlopig oordeel geconcludeerd dat de exclusiviteitsbepaling Fédération Equestre Internationale (“FEI”) in de paardensport concurrentiebeperkend was. Tot een definitief oordeel van de BMa kwam het - als gevolg van een schikking tussen de FEI en de klager (Global Champions League (“GCL”) - niet.

Anti-doping

Begin deze maand stond de deelname van Tour de France-winnaar Chris Froome aan de Giro d’Italia ter discussie vanwege vermeend dopinggebruik. Een interessante vraag is in hoeverre dit soort uitsluitingen mededingingsrechtelijk gezien wél gerechtvaardigd kunnen zijn. Het Hof van Justitie heeft bepaald dat anti-dopingregelgeving niet in strijd is met het mededingingsrecht mits de regels niet verder gaan dan noodzakelijk om een goed verloop van de sportcompetitie te verzekeren. Als regels die grenzen te buiten gaan, bijvoorbeeld omdat de sancties op dopinggebruik onevenredig zwaar zijn, staan de regels mogelijk op gespannen voet met het mededingingsrecht. Zo kan bijvoorbeeld worden betwijfeld of een levenslange uitsluiting van een sporter wegens verboden dopinggebruik altijd noodzakelijk is.

Sponsordeals

Een ander interessant vraagstuk betreft sponsordeals van sportbonden. Zo doet momenteel de Duitse mededingingsautoriteit, het Bundeskartellamt (“BKa”) onderzoek naar het Olympisch Handvest van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) wegens mogelijk machtsmisbruik. Sporters die deelnamen aan de recente Olympische Winterspelen in PyeongChang mochten vlak voor, tijdens en na deelname aan de Spelen niet worden ingezet voor reclamedoeleinden, tenzij uitdrukkelijk toestemming was gegeven door het IOC. Het BKa onderzoekt momenteel de door het IOC en de Duitse Olympische Sportbond (DOSB) gedane toezeggingen die erop neerkomen dat de regelgeving beperkt zal worden toegepast.

Ook de eisen die een sportbond aan het materiaal van sporters stelt, kunnen onderworpen zijn aan het mededingingsrecht. Zo verbood de Nederlandse Badmintonbond (Badminton Nederland (“BN”)) spelers (vanwege een eigen sponsordeal) met ander materiaal dan van Yonex te trainen en internationale wedstrijden te spelen. Spelers die hiermee niet akkoord gingen, werden niet opgeroepen voor het nationale team. Voor spelers leverde dit een groot dilemma op: zij konden hierdoor niet met materiaal van hun eigen sponsorfabrikant spelen. Een concurrerende fabrikant (Dunlop) en enkele spelers spanden hiertegen enkele jaren geleden een procedure aan. De rechtbank concludeerde dat de (exclusiviteits)afspraak tussen BN en Yonex niet tot doel had de mededinging te beperken en dat Dunlop onvoldoende had aangevoerd over de marktafbakening, waardoor niet bewezen werd geacht dat de afspraak tot gevolg had dat de mededinging werd beperkt.

Vergelijkbaar is ook de procedure die een wedstrijdkaatser aanspande tegen de Koninklijke Nederlandse Kaatsbond (“KNKB”). De wedstrijdkaatser was ook producent van kaatshandschoenen en hij verzette zich tegen het kaatsreglement van de KNKB waarin was bepaald dat wedstrijdkaatsers alleen kaatshandschoenen mochten gebruiken van drie door de KNKB aangewezen producenten. De KNKB weigerde de wedstrijdkaatser een licentie te verlenen. Dat was tegen het zere been van de wedstrijdkaatser, die daarop naar de rechter stapte en aanvoerde dat de weigering concurrentiebeperkend is. Volgens de wedstrijdkaatser misbruikte de KNKB haar machtspositie door te weigeren een licentie te verlenen. Hoewel de wedstrijdkaatser zijn claim had gestaafd met een rapport, kwam de kort gedingrechter van de rechtbank Noord-Nederland tot de conclusie dat het beroep op het mededingingsrecht onvoldoende was onderbouwd.

Conclusie

Deze procedures geven aan dat het mededingingsrecht steeds vaker wordt ingezet om eerlijke concurrentie binnen de sportwereld te waarborgen. Dit past ook bij de oproep van het Europees Parlement aan de Europese Commissie om strenger op te treden tegen concurrentiebeperkingen binnen de sport. In een civiele procedure is het niet altijd eenvoudig voor een sporter om zijn of haar gelijk te halen (zie een eerder blog hierover). De weg naar de ACM of de Europese Commissie zal daarom in de meeste gevallen eerder voor de hand liggen. Toezichthouders staan in toenemende mate open voor klachten over beperking van de concurrentie in de sport. Sportbonden moeten er dus voor waken om sporters en sportclubs niet onnodig in hun commerciële prestaties te beperken. Let the games begin!