In een recente uitspraak (ECLI:NL:GHARL:2018:4989) geeft het Hof Arnhem-Leeuwarden duidelijkheid omtrent de vraag of een zorgstelling bevoegd is om aanvullende regelingen te treffen voor een vertrekregeling onder de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT). Daarnaast gaat het hof in op de gevolgen van het ontslag als statutair bestuurder van de stichting.

Feiten

In deze zaak staat het ontslag van een statutair bestuurder van een zorginstelling (“de Stichting”) centraal en de mogelijke ontslagvergoedingen onder de WNT. Sinds 2015 zijn partijen in gesprek over beëindiging van de relatie, bij een dienstverband van ruim 30 jaar. In 2016 werd uiteindelijk overeenstemming bereikt over het vertrek van de bestuurder, maar bestond er nog wel onduidelijkheid over de vertrekregeling. In de arbeidsovereenkomst was een artikel opgenomen op grond waarvan de bestuurder recht had op een vastgestelde ontslagvergoeding, langs de lijn van de kantonrechtersformule (waarbij grofweg per gewerkt jaar een maandsalaris wordt toegekend). Tussen partijen bestond onenigheid over het toewijzen van deze vergoeding in verhouding tot de WNT (onder de WNT is de ontslagvergoeding gemaximeerd op EUR 75.000,-). Toen echter op basis van de adviezen van de raadslieden van beide partijen bleek dat partijen wel gebonden waren aan de bepalingen van de WNT heeft de bestuurder te kennen gegeven niet langer bereid te zijn mee te werken aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en als bestuurder tot aan de pensioengerechtigde leeftijd te willen aanblijven.

De Stichting heeft vervolgens de kantonrechter verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g dan wel sub h BW (verstoorde arbeidsverhouding en inhoudsloos worden van de arbeidsovereenkomst). De kantonrechter heeft het verzoek tot ontbinding afgewezen. De kantonrechter oordeelde dat de verstoorde arbeidsverhouding alsmede het inhoudsloos worden van de arbeidsovereenkomst voornamelijk in de hand was gewerkt door de Stichting. In dit kader had het, volgens de kantonrechter, op de weg van de Stichting gelegen om de vertrouwensbreuk te herstellen door een andere oplossing voor de situatie te vinden dan ontbinding.

De kantonrechter heeft zich in zijn beschikking niet uitgelaten over de bevoegdheid van de Raad van Toezicht (“RvT”) tot het treffen van een vertrekregeling waar het gaat om de toepassing van de WNT (dus over de vraag of de RvT de contractueel afgesproken ontslagvergoeding uit de arbeidsovereenkomst had mogen toekennen, dan wel een hogere vergoeding dan onder de WNT is toegestaan). Het had op de weg van de kantonrechter gelegen om te oordelen over de mogelijkheden van de RvT ten aanzien van de vergoedingen onder de WNT.

De Stichting is in hoger beroep gegaan tegen de beschikking van de kantonrechter en heeft het hof verzocht om de arbeidsovereenkomst alsnog te ontbinden tegen de kortst mogelijke termijn, wederom op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g dan wel sub h BW.

Oordeel

Het hof onderschrijft de zienswijze van de Stichting en ontbindt de arbeidsovereenkomst op grond van 7:669 lid 3 sub g dan wel sub h BW, met de volgende overwegingen:

  • Gezien de omstandigheid dat de Stichting na de afronding van de reorganisatie behoefte had aan een andersoortige bestuurder en gelet op de door de bestuurder zelf gesignaleerde problemen, mocht de Stichting besluiten om in het belang van haar organisatie de bestuurder niet langer te handhaven. Het belang om de bestuurder te vervangen was, gezien de discussie omtrent de toepasselijkheid van de bepalingen van de WNT, alleen maar groter geworden.
  • Nu de arbeidsovereenkomst in zijn geheel geënt was op de positie als bestuurder, is de arbeidsovereenkomst door het ontslag als statutair bestuurder inhoudsloos geworden. Herplaatsing van een bestuurder binnen de stichting ligt volgens het hof niet in de rede. De inhoudsloze arbeidsovereenkomst kwalificeert als een voldragen h-grond.
  • De Stichting is onder de WNT niet bevoegd om mee te werken aan het treffen van aanvullende regelingen voor een vertrekregeling.

Het hof ontbindt de arbeidsovereenkomst onder toewijzing van de wettelijke transitievergoeding.

Conclusie

Uit het arrest van het hof blijkt dat het niet mogelijk is om aanvullende regelingen te treffen in het kader van de WNT.