Hoge Raad overweegt mogelijkheid terugkrijgen eigendom grond na verlies daarvan als gevolg van verjaring met een beroep op onrechtmatige daad.

Op grond van artikel 3:105 BW gelezen in verbinding met artikel 3:114 lid 2 BW kan men als bezitter een goed in eigendom verkrijgen vanaf het moment dat de vordering tot beëindiging van dat bezit verjaart. Ten aanzien van een stuk grond heeft meer concreet het volgende te gelden: als je een stuk grond (dat in eigendom toebehoort aan een ander) in bezit neemt en de eigenaar van die grond doet 20 jaar niets tegen die inbezitneming, dan verkrijg je de eigendom van die grond. Dit geldt zowel in de situatie dat een stuk grond te goeder trouw in bezit wordt genomen als in de situatie dat een stuk grond te kwader trouw in bezit wordt genomen.

In de uitspraak van de Hoge Raad van 24 februari 2017 speelde het volgende.

De eigenaar van een perceel grond (verder ook te noemen: ‘bezitter’) heeft een naastgelegen perceel grond dat in eigendom toebehoorde aan de gemeente in bezit genomen door het perceel te omheinen met een hek en een afsluitbaar poortje, door het perceel te onderhouden en er twee boshutten, een houtopslag alsmede een deel van een jeu-de-boulesbaan op te bouwen. Ruim 20 jaar nadat het perceel in bezit is genomen, komt de gemeente in opstand. De bezitter stelt dat hij door verjaring eigendom heeft verkregen. De Hoge Raad komt tot de conclusie dat inderdaad sprake is van eigendomsverkrijging door de verrichte bezitsdaden – die ondubbelzinnig en kenbaar waren – en het verstrijken van de verjaringstermijn van 20 jaar.

De uitspraak van de Hoge Raad is in lijn met geldende jurisprudentie dus niet nieuw. Wat wel nieuw is, is de overweging van de Hoge Raad dat gronden die vanwege verjaring in eigendom zijn gekomen bij een bezitter te kwader trouw, mogelijk kunnen worden teruggevorderd met een beroep op onrechtmatige daad. De Hoge Raad overweegt kort gezegd als volgt.

Dat in de uitspraak van 24 februari 2017 de bezitter vanwege verjaring de eigendom heeft verkregen van het perceel grond, is het gevolg van het feit dat een beroep op artikel 3:314 lid 2 BW in verbinding met artikel 3:105 lid 1 BW niet is ontzegd aan de bezitter die een goed te kwader trouw in bezit heeft genomen. Dit laat evenwel onverlet dat de bezitter te kwader trouw kan worden geconfronteerd met een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan die bezitter te kwader trouw is verloren. Een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt wetende dat een ander daarvan eigenaar is, handelt tegenover die eigenaar immers onrechtmatig en die eigenaar kan (ervan uitgaande dat aan alle vereisten voor een beroep op onrechtmatige daad voldaan is) schadevergoeding vorderen. Deze schadevergoeding kan erin bestaan dat de opvolgend eigenaar de vanwege verjaring in eigendom verkregen onroerende zaak weer overdraagt aan de oorspronkelijk eigenaar.