Op 4 augustus jl. heeft de EU drie natuurlijke personen en drie entiteiten nieuw op de Rusland/Oekraïne sanctielijst geplaatst (onderstaand). Deze partijen zijn listed vanwege hun vermeende betrokkenheid bij de illegale doorlevering van gasturbines aan partijen in de Krim. Deze doorlevering vond plaats in weerwil van contractuele afspraken. De vraag is of dergelijke afspraken (nu nog) wel genoeg zijn om overtreding van sanctieregelgeving te voorkomen.

De gasturbines zijn geproduceerd door een joint venture van een Europese partij en vervolgens door die partij geleverd aan het Russisch staatsbedrijf Technopromexpert. De levering vond plaats onder de voorwaarde dat de turbines niet zouden worden gebruikt in de Krim en dat energie die daarmee zou worden opgewekt ook niet naar de Krim zou worden geëxporteerd. Vervolgens heeft het staatsbedrijf de turbines echter, in weerwil van de contractuele afspraken, toch doorgeleverd voor gebruik in de Krim.

Deze doorlevering gaat rechtstreeks in tegen de Europese sancties waarbij veel van de handel met (partijen in) de Krim en Sebastopol is verboden. Zo ook het leveren (verkopen, overdragen etc.) van bepaalde goederen voor (de ontwikkeling van) infrastructuurprojecten in de sector energie. De turbines worden nu bovendien ingezet voor de ontwikkeling van nieuwe energiecentrales op de Krim om zo een van Oekraïne onafhankelijke stroomtoevoer tot stand te brengen. Daarmee ondersteunt het de afscheiding van de Krim van Oekraïne en ondermijnt het de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne, aldus de Raad van de EU in de sanctieverordening (Verordening 2017/1417, NL/EN). Het was juist die ondermijning die de aanleiding vormde om de Europese sancties uit te vaardigen. Gelet hierop zijn de betrokken Russische partijen bij de doorlevering via voornoemde verordening geplaatst op bijlage I van Verordening 269/2014 (NL/EN). Dit betekent dat al hun tegoeden en economische middelen moeten worden bevroren en aan hen geen tegoeden en middelen ter beschikking mogen worden gesteld. Het betreft de volgende partijen:

  1. Andrey Vladimirovich Cherezov (Viceminister voor Energie van de Russische Federatie);
  2. Evgeniy Petrovich Grabchak (afdelingshoofd bij het Ministerie van Energie van de Russische Federatie);
  3. Sergey Anatolevich Topor-Gilka (Directeur-generaal van OAO „VO TPE” tot de insolventie ervan, directeur-generaal van OOO „VO TPE”);
  4. Oao ‘Vo Technopromexport’ (Oao ‘Vo Tpe’) (ook wel bekend als: Open Joint Stock Company (OJSC) ‘Foreign Economic Association’ ‘Technopromexport’);
  5. Ooo ‘Vo Technopromexport’ (Ooo ‘Vo Tpe’) (ook wel bekend als: Limited Liability Company (LLC) ‘Foreign Economic Association’ ‘Technopromexport’); en
  6. Zao Interavtomatika (Ia) (ook wel bekend als: 3AO, CJSC Interavtomatika).

Deze zaak roept ook de vraag op of men nog wel kan en mag vertrouwen op afspraken gemaakt met Russische (staats)bedrijven over het niet gebruiken of doorleveren van producten, diensten of services in strijd met Europese sanctieregelgeving. Van Europese partijen wordt verwacht dat zij onderzoeken of een levering van producten (ook software en technologie!), diensten of services is toegestaan op grond van de sanctieregelgeving. Daarbij moet men ook zo veel mogelijk maatregelen nemen om te voorkomen dat onverhoopt toch in strijd wordt gehandeld met die sancties. Men wordt bijv. geacht interne sanctieprocedures te hebben, onderzoek te doen naar het eindgebruik en de eindgebruiker, en om afspraken op te nemen in contracten over dat eindgebruik en die eindgebruiker (of een zogenoemde end-use(r) statement te vragen). Het gebruik van een tussenpersoon ontslaat bovendien de andere partijen in de keten niet van hun eigen verantwoordelijkheden in deze. Steeds geldt hoe hoger het risico, hoe meer er verwacht wordt aan onderzoek en te nemen maatregelen.

Het doen van onderzoek en het verzoeken van een end-use(r) statement is, zo blijkt maar weer, niet zaligmakend. Als er indicaties zijn dat een partij ondanks gemaakte afspraken zal doorleveren voor gebruik in strijd met de Europese sanctieregelgeving, dan kan met zo'n verklaring niet worden volstaan en is het überhaupt de vraag of nog handel mag worden gedreven met zo'n (tussen)partij. Naar aanleiding van bovenstaand voorval heeft de betrokken Europese partij in ieder geval besloten geen producten voor energiecentrales meer te leveren aan Russische staatsbedrijven.

De op het spel staande belangen zijn groot. Niet alleen voor handel en reputatie. Er bestaat ook een risico op strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens overtreding van de sanctieregelgeving.