Het is voor een bestuursorgaan van belang om de organisatie van handhavingsprocedures op orde te hebben. In deze frequently asked question wordt antwoord gegeven op de vraag aan welke vereisten de feitenvaststelling die ten grondslag wordt gelegd aan een invorderingsbesluit moet voldoen.

Het verbeuren van een dwangsom

Een van de mogelijkheden die een bestuursorgaan heeft om tegen illegale situaties op te treden, is handhaving door middel van een last onder dwangsom. Op grond van een bijzondere wettelijke regeling en artikel 5:32 Awb is een bestuursorgaan bevoegd om aan een overtreder een last onder dwangsom op te leggen. Doel van de last onder dwangsom is het beëindigen van de overtreding en herhaling daarvan te voorkomen. Tevens kan de last onder dwangsom preventief worden ingezet, zodra serieus gevaar voor een overtreding dreigt.

Met een last onder dwangsom wordt de overtreder gelast om de overtreding te beëindigen. Aan de last wordt een dwangsom verbonden. Dit betekent dat indien niet wordt voldaan aan de last, de overtreder een bedrag moet betalen. Deze dwangsom wordt vastgesteld hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid, hetzij op een bedrag per overtreding.

In de last wordt aan de overtreder een termijn gegeven om maatregelen te nemen om de illegale situatie ongedaan te maken. Indien de overtreder hier geen gehoor aan geeft binnen deze termijn, dan verbeurt hij de dwangsom.

Het invorderingsbesluit

Bij de verbeurte van de dwangsom door het niet of niet tijdig uitvoering geven aan de last, ontstaat de betalingsverplichting van rechtswege. Nadat deze betalingsverplichting is ontstaan, kan het bestuursorgaan op grond van artikel 5:37 Awb een invorderingsbeschikking nemen die er toe strekt de betaling af te dwingen. Deze invorderingsbeschikking is een appellabel besluit. Een overtreder kan bezwaar, en zo nodig beroep instellen tegen de invorderingsbeschikking. De overtreder kan daarmee onder meer het bewijs betwisten dat ten grondslag is gelegd aan het invorderingsbesluit. Dit bewijs bestaat uit de vastgestelde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het verbeuren van de dwangsom, oftewel tot het overtreden van de last.

Zorgvuldige feitenvaststelling

Om het invorderingsbesluit in stand te laten blijven is het in ieder geval zaak om bij het nemen van het invorderingsbesluit de feiten en omstandigheden waaruit de overtreding van de last blijkt, deugdelijk vast te leggen.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar rechtspraak vereisten geformuleerd waaraan de feitenvaststelling moet voldoen (ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1179).

De volgende regels worden gesteld aan de vaststelling van feiten en omstandigheden die ten grondslag worden gelegd aan een invorderingsbesluit:

  • De vaststelling van relevante feiten en omstandigheden dient deugdelijk en controleerbaar te zijn.
  • De vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden dient te worden gedaan door:
    • een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag,
    • een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag, of
    • een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen.
  • Om een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag te kunnen zijn hoeft diegene niet te zijn aangesteld als toezichthouder. Het is voldoende als de medewerker onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag werkzaam is en deskundig kan worden geacht.
  • Het deugdelijk vastleggen van de vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden kan geschieden in een schriftelijke rapportage.
  • In sommige gevallen kunnen de feiten en omstandigheden ook met foto’s of ander bewijsmateriaal worden vastgelegd.
  • Het moet duidelijk zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd.
  • Indien de feiten en omstandigheden op schrift worden vastgelegd, dient er een inzichtelijke beschrijving te worden gegeven van datgene dat is vastgesteld of waargenomen.
  • Een schriftelijke rapportage dient in beginsel te zijn ondertekend door de opsteller en te zijn voorzien van een dagtekening. Aan het ontbreken hiervan kan worden voorbijgegaan, indien op andere wijze kan worden vastgesteld dat de opsteller van de rapportage degene is die de daarin vermelde feiten en omstandigheden heeft vastgesteld of waargenomen en wanneer die vaststelling of waarneming heeft plaatsgevonden.

Het is dus van belang om er voor te zorgen dat de feiten en omstandigheden die ten grondslag worden gelegd aan een invorderingsbesluit deugdelijk en controleerbaar vast te leggen. Dit moet gedaan worden door de juiste persoon, op een correcte wijze en voorzien van de juiste controlegegevens.

Dit is een blog in de “FAQ”-serie. Een overzicht van alle blogs in deze serie kunt u hier vinden.