Zowel het Hof Den Haag als het Hof Den Bosch heeft zich onlangs uitgelaten over het toepasselijke WBR-tarief; het Hof Den Haag zelfs tweemaal. Op grond van artikel 14 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) bedraagt het tarief 6%; op grond van lid 2 van hetzelfde artikel geldt voor woningen een verlaagd tarief van 2%. Dit verlaagde tarief is ooit ingevoerd als tijdelijke maatregel om de woningmarkt te stimuleren. Inmiddels heeft deze maatregel zijn tijdelijke karakter verloren en geldt dit verlaagde tarief voor onbepaalde tijd.

Hof Den Bosch 23 september 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4199 Belanghebbende, hierna te noemen A, heeft een oud wooncomplex verkregen. Hij wil dit complex strippen en verbouwen tot een hotel. Vraag is of het verlaagde tarief van 2% van toepassing is op deze levering. De Inspecteur van de Belastingdienst stelt zich op het standpunt dat er géén sprake is van levering van een woning, omdat al voor de verkrijging door A sloopwerkzaamheden hebben plaatsgevonden; hierdoor zou de aard van het complex zijn veranderd. De Rechtbank volgt het betoog van de inspecteur niet, het Hof doet dit vervolgens ook niet. Naar het oordeel van het Hof stelt de inspecteur zich op het (onjuiste) standpunt dat de onroerende zaak op het moment van levering geschikt moet zijn voor bewoning. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de vraag dient te zijn of de onroerende zaak op het moment van levering bestemd is voor bewoning. Het Hof komt tot de conclusie dat het complex naar zijn aard bestemd is voor bewoning, omdat vaststaat dat:

  • de tot het complex behorende onroerende zaken sinds hun stichting, enkele eeuwen geleden, vrijwel onafgebroken hebben gefungeerd als woning en/of een woonbestemming hadden;
  • voor het hele complex volgens het bestemmingsplan de bestemming ‘wonen’ geldt;
  • in verschillende onderdelen van het complex nog wooneenheden aanwezig zijn.

Dat het complex geruime tijd – gedeeltelijk – leeg staat, dat er sprake is van verval en dat in bepaalde ruimtes bepaalde voorzieningen om te wonen ontbreken, doet aan het vorenstaande niet af. Daarnaast is niet van belang wat de toekomstige bestemming is. De subjectieve bedoeling van de koper doet niet af aan de objectieve vaststellingen ten aanzien van de aard van het complex. Daarom is volgens het Hof het tarief van 2% van toepassing.

Hof Den Haag 28 september 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2871 Belanghebbenden, hierna tezamen te noemen B, hebben een pand in eigendom verworven. Dit pand, een herenhuis, is omstreeks 1900 gebouwd; in ieder geval vanaf 1917 was op de begane grond een atelier gevestigd. Van 1949 tot en met begin 2014 is het pand gebruikt als kantoor. In september 2014 heeft B het pand gekocht, op 31 december 2014 (het verkrijgingsmoment) verkregen belanghebbenden, ieder voor de onverdeelde helft, de eigendom van het pand. De Inspecteur van de Belastingdienst legt vervolgens een naheffingsaanslag op, omdat hij stelt dat het tarief van 6% op deze verkrijging van toepassing is. B gaat in beroep, maar de Rechtbank stelt hem in het ongelijk. B besluit in hoger beroep te gaan. Het Hof komt tot de conclusie dat het tarief van 2% wel degelijk van toepassing is. Het Hof stelt dat de vraag of een onroerende zaak naar zijn aard bestemd is voor bewoning door particulieren beantwoordt dient te worden aan de hand van de fysieke kenmerken van deze zaak. Het Hof stelt vast dat dat uit de feiten blijkt dat het pand in of rond 1900 als woning is gebouwd en in gebruik is genomen en vervolgens decennia lang als woning in gebruik is geweest. De aanwezigheid van het atelier sinds 1917 maakt dit aldus het Hof niet anders, omdat uit de feiten niet kan worden afgeleid dat het atelier anders dan voor woondoeleinden werd gebruikt. Het kantoor dat van 1949 tot begin 2014 in het pand was gevestigd (een octrooibureau) heeft geen verbouwingen of andere werkzaamheden laten uitvoeren die het pand zijn geschiktheid om tot woning te dienen hebben ontnomen. De makelaar van verkoper heeft voorts gesteld en bewezen dat het pand alle voor bewoning noodzakelijke voorzieningen bevat, waardoor het in de periode voorafgaande aan de verkrijging als woning kon worden gebruikt. Het feit dat het pand vanaf 1949 tot 2014 nagenoeg geheel als kantoor in gebruik is geweest neemt niet weg dat het pand al die tijd de fysieke kenmerken van een voor bewoning door particuliere bestemde zaak had. Het Hof komt tot de conclusie dat het tarief van 2% van toepassing is.

Hof Den Haag 14 oktober 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3312 C heeft samen met zijn echtgenote op 5 februari 2015, ieder voor de onverdeelde helft, een onroerende zaak verkregen. Het betreft een perceel grond bestemd voor de bouw van een woning. Ten tijde van de verkrijging is 6% overdrachtsbelasting geheven. C tekent hiertegen bezwaar aan bij de Inspecteur van de Belastingdienst, maar de inspecteur wijst dit bezwaar af. C gaat daarna in beroep bij de Rechtbank, maar vangt daar bot. Vervolgens gaat C in hoger beroep bij het Hof Den Haag. Het Hof Den Haag bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Het overdrachtsbelastingtarief van 2% mist toepassing, omdat een perceel grond niet kan worden aangemerkt als een onroerende zaak die op het moment van verkrijging naar zijn aard bestemd is voor bewoning. C stelt dat het perceel op het moment van verkrijging geschikt zou zijn voor woningbouw en dat deze bouw ook de intentie was van C en zijn echtgenote. Dit is echter niet relevant, omdat dit geen verandering brengt in de aard van de onroerende zaak ten tijde van de verkrijging. In de wetsgeschiedenis is expliciet opgemerkt dat grond bestemd voor woningbouw (in tegenstelling tot een nieuwe woning in aanbouw) niet aan te merken is als woning in de zin van artikel 14 lid 2 WBR. Het Hof bekrachtigt daarom het vonnis van de Rechtbank; het tarief van 6% is van toepassing.