De richtlijn oneerlijke bedingen bepaalt dat een oneerlijk beding de consument niet bindt.

Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat zonder nadere acties van de zijde van de consument het oneerlijke beding, in Nederland algemene voorwaarden, ongeldig is.

In Nederland is gekozen voor een ander stelsel.

In Nederland geldt dat een beding in de algemene voorwaarden vernietigbaar is. Deze vernietiging moet worden ingeroepen binnen drie jaar nadat de vernietigingsbevoegdheid aan degene die zich op vernietiging wil beroepen ten dienst is komen te staan.

Veel consumenten en overigens niet-juristen weten niets van het vernietigen van een beding.

In veel gevallen is geoordeeld dat de consument binnen drie jaar nadat de professionele partij zich op een bepaald beding heeft beroepen de vernietiging daarvan moet inroepen.

Gebeurt dit niet dan zouden vernietigingsbevoegdheid verjaard zijn.

De advocaat-generaal J. Kokott schreef op 26 april 2018 in zijn conclusie dat volgens artikel 7 lid 1 de lidstaten erop toe moeten zien dat er in het belang van de consument alsmede van concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers (artikel 7 lid 1)

Die regeling berust op de gedachte dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakkere onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie beschikt dan de verkoper, wat ertoe leidt dat hij met de door de verkoop vooraf opgestelde voorwaarden instemt zonder invloed te kunnen uitoefenen op de inhoud daarvan.

Dat betekent dat het nationale recht de consument daadwerkelijk rechtsbescherming moet bieden door hem de mogelijkheid te bieden om de betreffende overeenkomst bij de rechter aan te vechten in billijke procedurele omstandigheden, zonder dat er voorwaarden worden gesteld met name inzake termijnen of kosten, die het uiterst moeilijk of praktisch onmogelijk maken om bij de richtlijn oneerlijke bedingen gewaarborgde rechten uit te oefenen.

Weliswaar heeft het hof uitgemaakt dat het burgerlijk procesrecht een zaak is van de Nationale Staten, maar daarbij dienen de Staten echter te waarborgen dat de nationale regelingen niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationale gerecht gelden en de uitoefening van de door het unierecht aan de consument verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).

In de zaak van de Banco Español de Crédito heeft het hof geoordeeld dat, aangezien een bepaling van nationaal procesrecht in de weg stond aan de ambtshalve toetsing van het beding, deze bepaling onverenigbaar was met de richtlijn oneerlijke bedingen.

Het hof heeft ook geoordeeld dat de algemene vorm, het verloop en de bijzonderheden van een procedure niet mogen leiden tot een niet te onderschatten risico dat de consument het vereiste verweer niet voert.

De Nationale Staten mogen de werking en doeltreffendheid van de richtlijn oneerlijke bedingen niet belemmeren.

De vernietigingsregel die in zijn algemeenheid niet bekend is bij niet-juristen kan er toe leiden dat consumenten en anderen hun rechten uit de richtlijn niet kunnen uitoefenen.

Daarom is deze vernietigingsbevoegdheid onverenigbaar met de richtlijn oneerlijke bedingen.