Gelvora UAB is een incassobedrijf dat krachtens een overeenkomst tot cessie schuldvorderingen had verworven[1].

Deze schuldvorderingen betroffen consumenten die schuldenaar waren krachtens consumentenkredietovereenkomsten met een kredietgever. De vraag stelde zich of de invorderingsactiviteiten van Gelvora UAB als ‘handelspraktijken’ in de zin van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken kunnen beschouwd worden[2].

Het Hof stelde dat de definitie van ‘handelspraktijken’ in artikel 2 d) van de Richtlijn, en meer bepaald de uitdrukking dat deze handelingen betreffen die ‘rechtstreeks verband houden met de verkoop van een product’ ook maatregelen omvat die “in verband met de uitvoering daarvan worden genomen, met name de maatregelen om de betaling van een product te verkrijgen”. Ook kunnen activiteiten van schuldinvordering – zoals in casu aan de orde – beschouwd worden als een ‘product’ in de zin van artikel 2 c) van de Richtlijn, omdat deze schuldvorderingen hun oorsprong vinden in het verrichten van een dienst, te weten de verlening van een krediet.

De omstandigheid dat de invorderingshandelingen werden verricht door een onderneming die zelf geen diensten in de vorm van consumentenkrediet aan consumenten verleende, en slechts ingevolge een cessie de schuldvorderingen had verworven, doet hieraan geen afbreuk. Dat is o.m. zo omdat indien de richtlijn oneerlijke handelspraktijken buiten spel zou kunnen worden gezet door dergelijke cessie, er afbreuk zou gedaan worden aan het nuttig effect van de bescherming die de richtlijn aan consumenten biedt.