Op 1 januari 2013 zijn de Wet Bestuur en Toezicht en de daarbij behorende Reparatiewet in werking getreden. Onderdeel daarvan is de regeling waarbij het aantal toezichthoudende functies van bestuurders en toezichthouders is gemaximeerd (‘limiteringsregeling’).

Deze regeling – die in beginsel geen enkel verband houdt met de jaarrekening – knoopt voor wat betreft het toepassingsbereik aan bij de groottecriteria in het jaarrekeningenrecht (art. 2:395a-398 BW). Aan de hand van deze criteria wordt bepaald of een rechtspersoon moet worden aangemerkt als ‘micro’, ‘klein’, ‘middelgroot’ of ‘groot’ en of er bepaalde vrijstellingen van de jaarrekeningverplichtingen uit Titel 9 van Boek 2 BW van toepassing zijn. De limiteringsregeling is slechts van toepassing op ‘grote’ rechtspersonen. Dat zijn rechtspersonen die geen beroep kunnen doen op de vrijstelling van art. 2:397 BW voor ‘middelgrote’ rechtspersonen. In dit artikel wordt het toepassingsbereik van de limiteringsregeling uiteengezet in verhouding tot de groottecriteria in het jaarrekeningenrecht. Heeft de wetgever een juiste keuze gemaakt door voor het toepassingsbereik aansluiting te zoeken bij een jaarrekeningrechtelijke regeling en zo ja, is de regeling op juiste wijze vorm gegeven?

Dit artikel is gepubliceerd in het Tijdschrift voor Jaarrekeningenrecht 2017/2.