Het projectbesluit kan worden gezien als de opvolger van het inpassingsplan op grond van de Wet ruimtelijke ordening (“Wro”), het tracébesluit op grond van de Tracéwet en het projectplan uit de Waterwet. Het projectbesluit is een bevoegdheid van het Rijk, provincies en waterschappen voor vaak complexe projecten in de fysieke leefomgeving met een publiek belang. Voor de goede orde: het betreft dus niet de opvolger van de projectomgevingsvergunning ex artikel 2.12 lid 1 onder a nummer 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (“Wabo”).

Een besluit volstaat voor de realisering van een project

Het projectbesluit bevat de maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van het project. Onder een project wordt volgens de bijlage bij de Omgevingswet verstaan:

  1.  de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van installaties of werken,
  2.  andere activiteiten in de fysieke leefomgeving, inclusief de activiteiten voor de ontginning van delfstoffen.

Een projectbesluit kan naast de omschrijving van het project voorzien in voorzieningen die met de uitvoering en instandhouding van het project samenhangen (zoals compenserende maatregelen voor het gebied in de omgeving van het project). Het projectbesluit heeft de mogelijkheid in zich dat met een besluit alle (uitvoerings)toestemmingen voor het project gecoördineerd worden verleend (artikel 5.43, lid 1 jo artikel 16.7 Omgevingswet jo (de nieuwe) afdeling 3.5 Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) (zie over de nieuwe afdeling 3.5 Awb het blogbericht Internetconsultatie gestart voor nieuwe coördinatieregeling in de Algemene wet bestuursrecht. Deze coördinatieregeling is verplicht voor een projectbesluit voor hoofdinfrastructuur en primaire waterkeringen.

Over de inhoud van het projectbesluit worden regels gesteld bij algemene maatregel van bestuur. Als het project strijdig is met het geldende omgevingsplan, dan wijzigt het projectbesluit zelf die regels (artikel 5.50, lid 1 Omgevingswet). Niet vereist is dat – zoals dat wel het geval is na verlening van een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit – het omgevingsplan achteraf moet worden aangepast aan het projectbesluit.

Gebruiksmogelijkheden

Een projectbesluit heeft alleen betrekking op projecten waar een provinciaal of nationaal belang of een waterstaatsbelang mee gemoeid is. De Omgevingswet bevat een niet-limitatieve afbakening van projecten waarvoor de projectbesluitprocedure wordt gevolgd (projecten waarop nu de Tracéwet van toepassing is of waarvoor een projectplan op grond van het projectplan van de Waterwet vereist is). Ook in andere wetten kan de projectprocedure worden voorgeschreven. Dit zal gebeuren voor bepaalde energieprojecten, waarvoor nu de rijkscoördinatieregeling van de Wro van toepassing is (artikel 9b Elektriciteitswet 1998, artikel 39b Gaswet en artikel 141a Mijnbouwwet).

Procedure

Openbare kennisgeving, verkenning en voorkeursbeslissing

Het bevoegd gezag geeft kennis van zijn voornemen om een verkenning uit te voeren naar een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving en om een projectbesluit vast te stellen zonder of met een voorafgaande voorkeursbeslissing (artikel 5.45, lid 1 Omgevingswet). In het laatste geval mondt de verkenning uit in een voorkeursbeslissing. Bij algemene maatregel van bestuur of bij besluit van het bevoegd gezag wordt bepaald wanneer een voorkeursbeslissing in ieder geval wordt genomen (artikel 5.45, lid 2 Omgevingswet). Een voorkeursbeslissing is geëigend voor complexe en ingrijpende projecten, die een brede verkenning en een vroegtijdige participatie van publiek en belanghebbende vergen, leidend tot een gedragen voorkeursrichting en gecoördineerde uitvoering (MvT, pagina 176). Uitkomst van voorkeursbeslissing kan zijn dat het project niet, wel, of gewijzigd wordt uitgevoerd (artikel 5.47 Omgevingswet). Indien beperktere verkenning geëigend is, kan na afronding van die verkenning het besluit omtrent het nemen van een projectbesluit worden genomen zonder voorafgaande voorkeursbeslissing.

De besluiten tot kennisgeving van het voornemen om een verkenning uit te voeren en de voorkeursbeslissing zijn niet appellabel.

Milieueffectrapportage

Een projectbesluit kan project-m.e.r.-plichtig zijn en een voorkeursbeslissing plan-m.e.r.-plichtig (als dat een kader vormt voor een vast te stellen projectbesluit). Nu de voorkeursbeslissing zelf niet appellabel is, is het overigens de vraag welke consequenties de schending van een plan-m.e.r.-plicht heeft bij voor de rechtmatigheid van het conform de voorkeursbeslissing genomen projectbesluit. In de MvT (pagina 184) staat dat een m.e.r.-plicht ook geldt voor projecten waarvoor een passende beoordeling is vereist. Onder de huidige wetgeving kwalificeert een tracébesluit niet als een plan waarvoor een passende beoordeling op grond van artikel 19j Natuurbeschermingswet 1998 wordt verricht (zie bijvoorbeeld ABRvS 13 januari 2010,  r.o. 2.4.2, M en R 2010/61 m.nt. M. Bogaart), zodat artikel 7.2a Wet milieubeheer (die vergt dat een plan-m.e.r. wordt verricht voor een plan waarvoor een passende beoordeling ex artikel 19j Natuurbeschermingswet 1998 wordt verricht) niet van toepassing is. De vraag is of dit anders wordt onder de Omgevingswet.

(Ontwerp)projectbesluit

Het projectbesluit wordt voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, na doorloping waarvan het projectbesluit al dan niet kan worden vastgesteld. Tegen het projectbesluit (inclusief de meegecoördineerde omgevingsvergunning) staat beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ingevolge artikel 16.85 Omgevingswet dient de Afdeling binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift te beslissen omtrent de beroepen.

Mogelijk later te verlenen omgevingsvergunning

Het uitgangspunt is dat in het projectbesluit alle relevante aspecten van het project zijn afgewogen en dat het project kan worden uitgevoerd. Dit betekent dat de afzonderlijke toestemmingen om het project te kunnen uitvoeren in het projectbesluit zijn opgenomen en er nadien geen omgevingsvergunningen meer nodig zijn ter uitvoering van het project. Dit vergt wel een uitdrukkelijk besluit op grond van artikel 5.50, lid 2, onder a, Omgevingswet: “Voor zover dat uitdrukkelijk in het projectbesluit is bepaald, geldt het projectbesluit: a. als omgevingsvergunning voor de activiteiten ter uitvoering van het projectbesluit“. Ook besluiten op grond van een andere wet dan de Omgevingswet kunnen op grond van artikel 5.50, lid 2, onder b, Omgevingswet, in het projectbesluit worden meegenomen. Gedacht kan worden aan een verkeersbesluit op grond van de Wegenverkeerswet. Als op grond van artikel 5.43, eerste of tweede lid, Omgevingswet, de coördinatieregeling van toepassing is, vallen de separate vergunningen onder die regeling.

Indien de uitvoering van het projectbesluit gefaseerd plaatsvindt en de vereiste omgevingsvergunningen op een later moment worden aangevraagd (wat goed voorstelbaar is bij complexe, langlopende projecten, waar de overheid voor de uitvoering een marktpartij inschakelt via bijvoorbeeld een DBFM-contractvorm), kan de initiatiefnemer er voor kiezen de omgevingsvergunningen later aan te vragen. Ten tijde van de vaststelling van het projectbesluit dient dan wel inzichtelijk te zijn dat het projectbesluit uitvoerbaar is (dat wil zeggen: dat de vereiste omgevingsvergunningen zullen worden verleend). Een parallel kan worden getrokken bij de uitvoerbaarheidstoets bij een bestemmingsplan gelet op de verboden in de Flora- en faunawet. Alleen aspecten die niet van invloed zijn op het oordeel over de aanvaardbaarheid van het project als geheel kunnen doorschuiven naar de vergunningenfase. Het projectbesluit voorziet ten minste in het planologisch mogelijk maken van het project voor zover het een projectbesluit is dat door gedeputeerde staten of de minister wordt vastgesteld (MvT, p. 186).