Op 12 juli van dit jaar wees het Hof van Justitie arrest in de zaak Vale, een belangrijke uitspraak inzake grensoverschrijdende omzetting van vennootschappen en rechtspersonen. Bij grensoverschrijdende omzetting wordt een vennootschap naar het recht van Lidstaat X van de EU omgevormd tot een vennootschap naar het recht van Lidstaat Y van de EU. Hiermee wordt dus bijvoorbeeld bedoeld dat een Duitse AG die zich naar België verplaatst, zou kunnen voortleven als een NV naar Belgisch recht.

De uitspraak in de zaak Vale kan beschouwd worden als de opvolger van het Cartesio arrest uit 2008. Dit arrest maakte duidelijk dat een grensoverschrijdende omzetting met beroep op de vestigingsvrijheid onder omstandigheden mogelijk is maar voor het overige liet deze verduidelijking meer vragen open dan ze beantwoordde. Met het Vale-arrest heeft het Hof van Justitie verduidelijking gebracht in vele van deze twistpunten en in die zin kan het Vale-arrest dus als de opvolger van Cartesio gezien worden.

Aan het Hof werd de vraag voorgelegd of een Lidstaat mag weigeren om een buitenlandse vennootschap als rechtvoorgangster in te schrijven in het handelsregister. Meer in abstracto handelt het nieuwe Vale-arrest in wezen over de vraag of Lidstaten onder de lading van de vestigingsvrijheid ertoe kunnen worden gedwongen om de grensoverschrijdende omzetting toe te staan van buitenlandse vennootschappen die hun werkelijke zetel naar het binnenland hebben verplaatst.

Het arrest is gewezen in het kader van een beroep op de Europese regels inzake vestigingsvrijheid. Het Europees Hof oordeelt dat die regels meebrengen dat een Lidstaat die een regeling voor binnenlandse omzettingen kent – bijvoorbeeld de omzetting van een bvba in een nv – in beginsel eveneens moet toestaan dat een rechtsvorm uit een andere Lidstaat in de nationale rechtsvorm wordt omgezet. Alleen vanwege dringende redenen van algemeen belang kunnen Lidstaten die mogelijkheid dan nog beperken, bijvoorbeeld om schuldeisers of werknemers te beschermen of om de doeltreffendheid van fiscale controles te waarborgen.

Met het feit dat bepaalde Lidstaten nog niet over een regeling voor grensoverschrijdende omzettingen beschikken, houdt het Hof geen rekening. Volgens het Hof kan het ontbreken van dergelijke regeling geen excuus zijn om de vestigingsvrijheid te beperken. Lidstaten zullen in zulke situaties zoveel mogelijk beroep moeten doen op de regels voor binnenlandse omzettingen, al zal het in de praktijk niet altijd volledig duidelijk zijn hoe dit moet gebeuren. Het wordt dus dringend tijd dat de Europese Commissie opnieuw werk maakt van een voorstel tot Veertiende Vennootschapsrichtlijn inzake grensoverschrijdende zetelverplaatsing, zodat vennootschappen zich op een rechtszekere manier kunnen omzetten naar een vennootschapsvorm van een andere lidstaat.