Een belanghebbende die zich vanwege het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a Awb niet kan beroepen op schending van het staatssteunrecht, kan zich daar evenmin op beroepen in het kader van de financieel-economisch uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Dit volgt uit een opmerkelijke uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (“Afdeling”) van 2 november 2016.

De casus

Om de parkeerproblematiek rondom de lokale Coöp supermarkt aan te pakken, stelt de gemeenteraad van Ameland het bestemmingsplan “De Hagen Hollum” vast. Het plan voorziet in uitbreiding van het parkeerterrein. De bedoeling is om de gronden waarop de uitbreiding is voorzien na herinrichting te verkopen aan de Coöp supermarkt. Volgens enkele omwonenden wordt de grond echter voor zo’n lage prijs aan Coöp verkocht dat sprake is van staatssteun, waarvan de Europese Commissie nog op de hoogte moet worden gebracht. Gevolg hiervan is dat de grondtransactie niet kan plaatsvinden voordat de Europese Commissie deze goedkeurt.

Staatssteun en bestemmingsplannen

Artikel 107, eerste lid van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU“) in combinatie met artikel 108, derde lid mag staatssteun in beginsel pas verstrekt worden na aanmelding bij en goedkeuring door de Europese Commissie.

Het is vaste jurisprudentie dat de vraag of sprake is van (onrechtmatige) staatssteun in een bestemmingsplanprocedure slechts aan de orde kan komen in het kader van de vraag of de staatssteun mogelijk een beletsel vormt voor de financieel-economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder f van het Besluit ruimtelijke ordening (“Bro“). De reden daarvan is dat in een dergelijke procedure uitsluitend de ruimtelijke effecten van het bestemmingsplan (kunnen) worden beoordeeld. De vraag of sprake is van staatssteun is daarvoor op zichzelf niet relevant.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie o.a. ECLI:NL:RVS:2013:BZ2265) kunnen uitsluitend concurrenten van de gesteunde entiteit en justitiabelen die zijn onderworpen aan een heffing die integraal deel uitmaakt van de steunmaatregel zich voor de nationale rechter beroepen op het staatssteunrecht. Beroepen van andere groepen belanghebbenden stranden op het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a Awb. Op grond van dat artikel vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een bepaalde geschreven of ongeschreven rechtsnorm indien deze norm kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich op die regel beroept.

In beginsel mogen omwonenden (niet-concurrenten) wel een beroep doen op de financieel-economische uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Dit aangezien zij een belang erbij hebben om niet geconfronteerd te worden met de nadelige ruimtelijke gevolgen van een niet uitvoerbaar plan (ABRvS 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2296; ABRvS 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:96 en ABRvS 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2975). De vraag of het relativiteitsvereiste ook moet worden tegengeworpen aan omwonenden die met een beroep op het staatssteunrecht de financieel-economische uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan betwisten, was nog niet door de Afdeling beantwoord. Tot nu.

Uitspraak Afdeling

De Afdeling stelt eerst vast dat appellanten geen concurrenten zijn en ook niet aan een heffing zijn onderworpen die integrerend onderdeel uitmaakt van de steunmaatregel, maar dat zij uitsluitend beroep hebben ingesteld in hun hoedanigheid van omwonenden en/of grondeigenaren en zich in die hoedanigheid niet met succes op het staatssteunrecht kunnen beroepen.

Vervolgens overweegt de Afdeling dat het relativiteitsvereiste met zich brengt dat belanghebbenden die zich niet kunnen beroepen op artikel 108, derde lid, van het VWEU omdat die bepaling kennelijk niet strekt tot bescherming van hun belangen, evenmin schending van dat artikel ten grondslag kunnen leggen aan hun betoog dat het bestemmingsplan financieel-economisch niet uitvoerbaar is. Hiermee kon het staatssteunargument van appellanten ook niet via de band van de financieel-economische uitvoerbaarheid aan bod komen.

Observaties

Als een beroep op het staatssteunrecht op het staatssteunrecht stuit op het relativiteitsvereiste kan het evenmin via de band van de financieel-economische uitvoerbaarheid gepresenteerd worden. Dat is toch opmerkelijk. In eerdere jurisprudentie heeft de Afdeling juist expliciet overwogen dat het onderzoek naar de financieel-economische uitvoerbaarheid van een plan er mede toe strekt om omwonenden te beschermen tegen de ruimtelijke gevolgen van niet-uitvoerbare plannen.

Indien onrechtmatige staatssteun verstrekt wordt (aan bijvoorbeeld een projectontwikkelaar) kan dit grote gevolgen hebben voor de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan. Concurrenten van de staatssteunontvanger kunnen de nationale (civiele) rechter vragen om verlening van de steun te stoppen. Ook kan de Europese Commissie terugvorderding van staatssteun met rente bevelen. In beide gevallen kan een situatie ontstaan dat een plan niet binnen een tijdsbestek tien jaar verwezenlijkt kan worden. Ook is het mogelijk dat de onderneming in kwestie door de terugvordering van de staatssteun failliet gaat waardoor een verwezenlijkt plan (bijvoorbeeld een parkeerterrein) niet meer nodig is.

De schending van het staatssteunrecht kan dus grote negatieve planologische gevolgen hebben. Als de Afdeling erkent dat omwonenden belang hebben bij het voorkomen van deze gevolgen, dan ligt het in de rede om hen toe te staan om het ontbreken van financieel-economische uitvoerbaarheid te onderbouwen met een beroep op het staatssteunrecht.