De voorgeschiedenis en de tussenuitspraak

De Afdeling heeft onlangs een definitieve uitspraak gedaan in de nadeelcompensatiezaak over De Wouwse Tol (ECLI:NL:RVS:2014:1868). In de veelbesproken tussenuitspraak van 5 december 2012 (ECLI:RVS:2012:BY5105) had de Afdeling zich hier al over uitgelaten. Met de einduitspraak van 28 mei 2014 is er een definitief einde gekomen aan de procedure. Het belangrijkste punt van geschil betrof de vraag welke omzetdrempel mocht worden toegepast om te bepalen in hoeverre de door het hotel-restaurant geleden schade tot het normaal maatschappelijk risico moest worden gerekend. In de einduitspraak stelt de Afdeling de drempel vast op tien procent.

Het is gebruikelijk dat bestuursorganen bij aanvragen om het toekennen van nadeelcompensatie, een vaste maatstaf hanteren om te bepalen of de schade moet worden geacht buiten het normaal maatschappelijk risico te liggen. Voor toekenning van nadeelcompensatie geldt dat uitsluitend onevenredige schade als gevolg van rechtmatig overheidshandelen voor vergoeding in aanmerking komt. Van onevenredige schade is pas sprake indien het om een speciale en om een abnormale last gaat. Dat wil zeggen dat de schade uitsluitend op een beperkte groep burgers of bedrijven drukt (speciale last) en de omvang van die schade moet worden geacht buiten het normaal maatschappelijk risico te vallen (abnormale last).

Bij inkomensschade door ondernemingen wordt vaak een omzetdrempel van vijftien procent toegepast. Om aan te nemen dat sprake is van schade die niet tot het normaal maatschappelijk risico behoort, moet de omvang van de schade deze ondergrens als percentage van de jaaromzet, overschrijden. Deze gang van zaken was (en is nog steeds) aan kritiek onderhevig, omdat het hanteren van een vaste drempel onvoldoende rekening zou houden met de concrete omstandigheden van een specifiek geval. Daarmee wordt niet altijd recht gedaan aan het feit dat verschillende typen ondernemingen om een verschillende benadering vragen. Dat kan ertoe leiden dat onevenredige schade ten onrechte tot het normaal maatschappelijk risico wordt gerekend.

De bestuursrechter achtte het toepassen van een vaste omzetdrempel van vijftien procent over het algemeen aanvaardbaar. In de tussenuitspraak over De Wouwse Tol heeft de Afdeling daar anders over geoordeeld. De exploitant van het hotel-restaurant had nadeel geleden door groot onderhoud aan de rijkswegen A4, A17 en A58. Tijdens de zomerperiode van 2006 vond ook een afsluiting van de afslag naar De Wouwse Tol plaats. Voor de exploitant waren de werkzaamheden aanleiding om een verzoek tot nadeelcompensatie in te dienen op grond van de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999. Het verzoek werd door de minister van Infrastructuur en Milieu afgewezen, omdat de wegwerkzaamheden niet tot een omzetdaling van ten minste 15 procent hadden geleid, zodat de geleden schade werd geacht binnen het normaal maatschappelijk risico te vallen.

De exploitant stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat het toepassen van een vaste omzetdrempel van vijftien procent tot onvoldoende differentiatie tussen verschillende branches leidt en daarmee tot uiteenlopende gevolgen voor verschillende typen ondernemingen. De Afdeling oordeelde in de tussenuitspraak dat de vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico in de eerste plaats aan het bestuursorgaan is en dat dit daarbij beoordelingsvrijheid toekomt. Wel is het volgens de Afdeling zo dat het bestuursorgaan de vaststelling van de omvang van dat risico naar behoren moet onderbouwen. Dat laatste maakte de uitspraak interessant, want de minister diende naar het oordeel van de Afdeling alsnog te onderbouwen waarom een vaste drempel van vijftien procent in het specifieke geval van De Wouwse Tol mocht worden toegepast. In zoverre week de Afdeling af van haar gebruikelijke (meer marginale) toetsing. Verder oordeelde de Afdeling dat hoe hoger de drempel is, hoe zwaarder de eisen zijn die aan de motivering worden gesteld. De minister kon dus niet volstaan met het toepassen van de vaste omzetdrempel.

De einduitspraak

Hoe liep het uiteindelijk af na de tussenuitspraak? De exploitant van De Wouwse Tol betoogt dat de minister geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak, omdat de minister de hoogte van de toegepaste drempel niet heeft gemotiveerd. De minister stelt daarentegen dat een nadere motivering over differentiatie tussen verschillende branches niet goed mogelijk is. Volgens de minister treden ook binnen een branche aanzienlijke verschillen op. Differentiatie zou ook niet nodig zijn. De stelling van de minister is dat de toepassing van de drempel van vijftien procent alleen hoeft te worden gemotiveerd als de omvang van de schade die drempel nadert. Alleen dan vindt volgens de minister een beoordeling plaats of individuele omstandigheden ertoe nopen dat wordt afgezien van toepassing van de drempel.

Met die motivering neemt de Afdeling geen genoegen. De Afdeling stelt vast dat het bij weggebonden ondernemingen, zoals De Wouwse Tol, vrijwel steeds om horecabedrijven of tankstations gaat. De exploitant had laten zien dat beide typen ondernemingen een verschillende kostenstructuur kennen en een wezenlijk andere verhouding tussen kosten en omzet. Daarbij was door De Wouwse Tol aangetoond dat een omzetdaling van vijftien procent bij beide ondernemingen tot zeer uiteenlopende schadebedragen leidt.  Volgens de Afdeling ligt het daarom in de rede dat de minister ten aanzien van verschillende typen weggebonden ondernemingen verschillende omzetdrempels zou hanteren. Vervolgens voorziet de Afdeling zelf in de zaak. Zij stelt de drempel, overeenkomstig het voorstel van De Wouwse Tol,  vast op tien procent. Enige onderbouwing hiervoor geeft de Afdeling echter niet.

Hoe verder?

In de praktijk werd met belangstelling naar de einduitspraak uitgekeken. Vermoedelijk ging dat gepaard met de hoop op een uitspraak die duidelijker zou maken hoe bestuursorganen bij het bepalen van het normaal maatschappelijk risico meer recht kunnen doen aan de omstandigheden van het geval. Daar is echter geen gehoor aan gegeven. Dat de Afdeling ervoor kiest om een definitief einde te maken aan deze kwestie, lijkt mij juist. De minister was immers niet in staat gebleken om, ondanks een duidelijke opdracht daartoe, de toepassing van de omzetdrempel van vijftien procent te motiveren. Wel is het met het oog op toekomstige gevallen jammer dat de Afdeling niet meer duidelijkheid heeft gegeven over de vraag hoe bestuursorganen tot toepassing van een maatstaf kunnen komen die voldoende rekening houdt met de omstandigheden van het geval. Het zou goed zijn als bestuursorganen hier zelf nog eens kritisch naar gaan kijken en daarvoor een voorzet doen. Wellicht dat de Afdeling in een mogelijke volgende uitspraak de praktijk meer houvast kan bieden.