In een annotatie bij een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) gaat Astrid Helstone in op de vraag welke loonbestanddelen meetellen voor de grondslag van het vakantieloon. De CRvB beantwoordt de vraag of het werkgeversdeel pensioenpremie meetelt voor het vakantie loon bevestigend. Dit oordeel van de CRvB is ook van belang in de civiele arbeidsrechtspraak. De uitspraak nodigt uit tot nadere gedachtenvorming over de vraag welke maatstaf moet worden aangelegd voor de grondslag van het vakantieloon.

Hoe verhoudt de benadering van de Nederlandse rechter zich tot de rechtspraak van het Hof van Justitie (HvJ EU). Vooralsnog heeft het HvJ EU zich over het meetellen van het werkgeversdeel pensioenpremie niet expliciet uitgelaten. De criteria voor de grondslag van het vakantieloon zijn echter wel uitgewerkt in de rechtspraak (Williams/British Airways, Lock/British Gas) van het HvJ EU. Het HvJ EU overwoog dat een werknemer het recht op vakantie alleen zal kunnen uitoefenen als hij tijdens zijn vakantie in een situatie verkeert die qua totale beloning vergelijkbaar is met de situatie waarin hij zou werken. Deze uitspraak van de CRvB en de eerdere uitspraken van de civiele rechters zover het meetellen van het werkgeversdeel pensioenpremie zijn in overeenstemming met de benadering van het HvJ EU. Toch is de toepassing van de maatstaf van het HvJ EU in de praktijk niet eenvoudig. Waar ligt de grens van “vergelijkbare economische omstandigheden”? In het licht van dergelijke vragen en nu het aantal procedures over de grondslag voor vakantieloon verder blijft groeien, is duidelijk dat we nog veel interessante ontwikkelingen in de Europese en Nederlandse rechtspraak tegemoet kunnen zien.