De Hoge Raad heeft een drietal belangrijke uitspraken gedaan met betrekking tot het goed werkgeverschap in relatie tot voorwaardelijke indexatie, waaronder het recente John Crane-arrest. Wij bespreken kort deze drie arresten. We sluiten af met de lessons learned.

Euronext

In het Euronext-arrest oordeelde de Hoge Raad in antwoord op de vraag of Euronext in strijd heeft gehandeld met het goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW), dat opzegging van de uitvoeringsovereenkomst in beginsel mogelijk is, ongeacht of de uitvoeringsovereenkomst voorziet in een opzeggingsregeling. De omstandigheden van het geval kunnen echter meebrengen dat door de opzegging, of opzegging zonder nadere maatregelen of voorzieningen te treffen, de werkgever zich niet als goed werkgever gedraagt.

Volgens het hof had Euronext onvoldoende rekening gehouden met de belangen van (voormalige) werknemers (uit dienst voor 2013) door niet te voorzien in behoud van het indexatieperspectief. De Hoge Raad vond echter dat nog onvoldoende duidelijk is hoe rekening is gehouden met de stellingen van Euronext dat geen wettelijke of contractuele verplichting meer bestond om in tekorten in het pensioenfonds bij te dragen, de pensioenaanspraken volledig waren afgefinancierd en indexaties volledig uit de beleggingsresultaten dienden te worden voldaan en verwees de procedure naar het hof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing. De uitkomst van deze procedure is naar ons weten nog niet bekend.

FrieslandCampina

In het FrieslandCampina-arrest (het arrest werd gewezen ex artikel 81 lid 1 RO) oordeelde het hof Den Haag dat de werkgever onder meer in strijd met het goed werkgeverschap heeft gehandeld door de uitvoeringsovereenkomst op te zeggen en gehouden is schadevergoeding te betalen. Op de datum van opzegging van de uitvoeringsovereenkomst bevond het pensioenfonds zich in een herstelsituatie. De voorwaardelijke indexatie binnen het ondernemingspensioenfonds werd gefinancierd door middel van premies door de werkgever. Deze financiering viel weg door beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst. Verder was er een verschil in indexatie ontstaan tussen de oude Campina populatie (deelnemers in het ondernemingspensioenfonds) en de oude Friesland Foods populatie (deelnemer in een Achmea Avero regeling). De werkgever had ingestemd met betaling van een bedrag van € 64 miljoen aan Achmea Avéro voor indexatie., maar had geen geld beschikbaar gesteld voor de andere groep werknemers ter compensatie van de gevolgen van de beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst voor indexatie. Daarbij kwam dat door de opzegging van de uitvoeringsovereenkomst met het ondernemingspensioenfonds een voorziening van € 131 miljoen op de balans van FrieslandCampina was vrijgevallen.

Het hof stelde vast dat hoewel de cao voor inactieven geen onvoorwaardelijk recht op indexering kende, daarin wel een indexeringsambitie was opgenomen. Dit betekent dat FrieslandCampina als goed werkgever gehouden is zich bij de opzegging van de uitvoeringsovereenkomst te bekommeren om de waardevastheid van het pensioen van de inactieven. Ook had FrieslandCampina zich geen goed werkgever getoond door jegens het ondernemingspensioenfonds de hand op de knip te houden en geen cent bij te dragen nadat ze dit wel voor de Achmea Avero regeling had gedaan, aldus het hof.

John Crane

In het John Crane-arrest werd de voorwaardelijke indexatie gefinancierd uit door de verzekeraar verleende kwantumkorting en winstaandelen in een depot bij de verzekeraar. De uitvoeringsovereenkomst werd op 1 januari 2016 beëindigd, waardoor de kwantumkorting, die de voornaamste bron voor de indexering was, kwam te vervallen.

Een oud-werknemer vorderde veroordeling van John Crane om in dezelfde mate te indexeren en daarvoor ook premies beschikbaar te stellen alsof er nog steeds een uitvoeringsovereenkomst met de verzekeraar (Zwitserleven) was.

Het hof overwoog dat de oud-werknemers jegens John Crane geen afdwingbaar recht op aanvulling van eventuele tekorten voor indexering in de bestemmingsreserve toeslagen hebben. Wel vergen de redelijkheid en billijkheid dat John Crane – in beginsel – gehouden is een voor indexering toereikende bestemmingsreserve na te streven, door middelen aan die reserve toe te voegen, indien en voor zover de vooruitzichten op indexering zijn verminderd door toedoen van John Crane.

Het was voor John Crane voorzienbaar dat door het niet verlengen van de uitvoeringsovereenkomst geen indexeringen meer zouden plaatsvinden. Daar komt nog bij dat John Crane met Zwitserleven had afgesproken dat zij na 2015 geen administratiekosten meer hoefde te betalen en dat Zwitserleven de administratiekosten mocht verrekenen met een eventuele winstdeling. Het was voor John Crane dus voorzienbaar dat de (oud-)werknemers wezenlijke schade zouden lijden, aldus het hof. Het hof concludeert dat John Crane in strijd heeft gehandeld met wat de eisen van redelijkheid en billijkheid van haar vergden door geen enkele compenserende maatregel te treffen.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet aan John Crane een resultaatsverbintenis heeft opgelegd ten aanzien van de indexering van de pensioenrechten en dat het hof evenmin John Crane ertoe heeft veroordeeld de pensioenuitkeringen te indexeren. Door te oordelen dat John Crane de verslechtering van het indexatieperspectief moet compenseren, heeft het hof niet het voorwaardelijke karakter van de indexatie miskend. Het oordeel van het hof laat immers onverlet dat er slechts een recht op indexering is voor zover de beschikbare middelen dit toelaten. Verder vindt de Hoge Raad dat het oordeel dat John Crane de eindloonregeling per 1 januari 2016 mocht sluiten, niet onverenigbaar is met het oordeel dat zij in de gegeven omstandigheden gehouden was het door die beëindiging verslechterde indexatieperspectief te compenseren.

Lessons learned

Bij beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst kunnen werkgevers op grond van de redelijkheid en billijkheid en het goed werkgeverschap in sommige gevallen gehouden zijn om compensatie te bieden. Dit is met name het geval als het wegvallen van indexatieperspectief veroorzaakt wordt door de beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst op zulke wijze dat er niet of nauwelijks financiering meer rest voor de voorwaardelijke indexatie. Daarnaast is de vraag of sprake is van strijd met het goed werkgeverschap sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In het geval van John Crane speelde bijvoorbeeld mee dat naast het wegvallen van de voornaamste bron van financiering ook nog eens de administratiekosten werd verrekend met hetgeen overbleef aan financiering. En bij Euronext speelde mee dat een deel van de (oud-)werknemerspopulatie anders werd behandeld met betrekking tot de indexatie, er sprake was van een tekortsituatie bij het pensioenfonds en er een voorziening van € 131 miljoen op de balans van de werkgever vrijviel. Het gevolg is dat er geen algemene uitspraak gedaan kan worden over het verlies van indexatieperspectief in relatie tot het goed werkgeverschap. Werkgevers zullen echter goed moeten nadenken over de gevolgen van de opzegging van de uitvoeringsovereenkomst. En kunnen bij twijfel wellicht overwegen om (compenserende) maatregelen te treffen.