Advocaten hebben wat met termijnen. Bestuursrechtadvocaten des te meer. De Awb is immers onverbiddelijk: een onverschoonbaar te laat ingediend bezwaar of beroep is niet-ontvankelijk. Het is dan ook niet verwonderlijk dat je als (bestuursrecht)advocaat bij alle regelingen in de wet nagaat of er een fatale termijn aan is verbonden. Voor de betwisting van een invorderingsbeschikking na een last onder dwangsom blijkt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 2015 glashelder dat er geen, bijvoorbeeld met een bezwaarschrift vergelijkbare, termijn aan de betwisting is verbonden. Een zorg minder voor de bestuursrechtadvocaat?

Hoe zit het ook alweer: lasten, verbeuren en invordering

Bestuursrechtelijke handhaving kan bestaan uit het opleggen van een last onder dwangsom. Dat wordt gedaan via een besluit waarin het bestuursorgaan omschrijft welke herstelmaatregelen een overtreder moet nemen om een overtreding ongedaan te maken, en binnen welke termijn dat moet zijn gedaan. Als niet binnen de gestelde termijn de overtreding geheel is opgeheven, wordt de in het besluit omschreven dwangsom verbeurd. Hoe hoog het bedrag is, en of het een bedrag ineens is, per tijdseenheid of per overtreding stelt het bestuursorgaan in het besluit vast. De hoogte moet wel in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang, en de beoogde werking van het dwangsombesluit.

Als er een last onder dwangsom is opgelegd en niet binnen de gegeven termijn aan de last wordt voldaan, wordt de dwangsom van rechtswege verbeurd. Hier hoeft het bestuursorgaan dan ook niets voor te doen. Uit de wet volgt bovendien dat een verbeurde dwangsom binnen zes weken na verbeuring moet worden betaald. Na het verstrijken van deze zes weken is de schuldenaar in verzuim als er nog niet is betaald. Het bestuursorgaan kan dan overgaan tot het invorderen van de verbeurde dwangsom. Dat moet gebeuren bij een formeel bestuursrechtelijk besluit, de ‘invorderingsbeschikking’. Dit besluit biedt de kans aan de overtreder om aan te geven dat er geen sprake is geweest van een verbeuring van de dwangsom, en bijvoorbeeld het bewijs terzake het al dan niet voldoen aan de last van het bestuursorgaan aan de kaak te stellen. Omdat het een appellabel besluit is, staat er tegen de invorderingsbeschikking namelijk rechtsbescherming open bij de bestuursrechter, na het volgen van een bezwaarprocedure.

Pas na het nemen van de invorderingsbeschikking mag het bestuursorgaan verdere stappen zetten en een aanmaning sturen naar de overtreder. Als ook na de aanmaning niet is betaald, is feitelijke invordering via een dwangbevel mogelijk. Als een bestuursorgaan na de van rechtswege verbeuring een jaar lang geen aanmaning stuurt, of andere stuitingshandeling verricht, verjaart de bevoegdheid tot invordering. Het nemen van de invorderingsbeschikking is geen stuitingshandeling.

Als de last onder dwangsom later wordt ingetrokken of gewijzigd – bijvoorbeeld naar aanleiding van een ingediend bezwaar – waaruit volgt dat de invorderingsbeschikking ook niet in stand kan blijven, dan vervalt de invorderingsbeschikking. Dit is bijvoorbeeld het geval als vast komt te staan dat er geen bevoegdheid was om een last onder dwangsom op te leggen.

Als de overtreder in bezwaar, beroep of hoger beroep gaat tegen de last onder dwangsom, regelt de wet dat die procedure ook ziet op een eventueel al genomen invorderingsbeschikking. Daar is echter één voorwaarde aan verbonden: de overtreder moet dan de invorderingsbeschikking hebben ‘betwist’.

De betwisting

In de wet is niet geregeld hoe en wanneer de betwisting moet plaatsvinden. Dat roept vragen op, en al helemaal bij de termijnangstige advocaat. In de parlementaire geschiedenis staat onder meer “De belanghebbende zal dus aan het bestuursorgaan of de rechter moeten laten blijken, dat hij zich niet in de bijkomende beschikking kan vinden. Hij kan dit doen op dezelfde wijze als waarop hij enig ander standpunt in de procedure inneemt: in een schriftelijk processtuk, maar — binnen de grenzen van een goede procesorde — onder omstandigheden ook nog mondeling ter zitting“. Dat is een aanwijzing dat een betwisting op allerlei momenten kan plaatsvinden, maar laat nog niet met zekerheid zien dat er geen termijn aan de betwisting is verbonden. Een invorderingsbeschikking kan immers gedurende de hele procedure tegen een last onder dwangsom worden verbeurd. Bij een verbeuring vlak voor een al geplande zitting is het dan wellicht nodig de betwisting ter zitting te doen.

Er is ook een indicatie dat de betwisting mogelijk wél aan een termijn is verbonden. Als er geen procedure aanhangig is tegen de last onder dwangsom geldt immers de standaardtermijn van zes weken voor het maken van bezwaar tegen de invorderingsbeschikking. Je kan je afvragen waarom bij een concentratie van rechtsbescherming – want dat is de achtergrond van de regeling in de wet; bezwaren tegen een last onder dwangsom en een bijbehorende invorderingsbeschikking moeten zoveel mogelijk tegelijk worden behandeld – zou worden afgeweken van deze standaard bezwaartermijn.

Uitspraak Afdeling 14 januari 2015

De vraag of er een termijn aan de betwisting is verbonden is in het ideale geval een theoretische discussie, omdat beter het zekere voor het onzekere kan worden genomen en de betwisting binnen zes weken kan plaatsvinden. Er kunnen echter omstandigheden zijn waarom dit niet is gedaan. De tekst van de wet geeft namelijk ook niet aan binnen welke termijn en hoe de betwisting moet plaatsvinden. Advocaten, maar ook burgers die zelf procederen, zouden er hierdoor van kunnen uitgaan dat er geen termijn geldt.

Tot 14  januari jl. heb ik geen klip- en klare uitspraak gezien van de Afdeling bestuursrechtspraak waaruit blijkt of er wel of geen termijn wordt gehanteerd. Uitspraken over een hoger beroep tegen een last onder dwangsom en een bijbehorende betwisting van een invorderingsbeschikking zijn er genoeg, maar het blijkt dan bijvoorbeeld niet voldoende uit de feiten wat het tijdsverloop is geweest. Tot nu. Want in de uitspraak van 14 januari 2015 staat uitdrukkelijk: “Bij besluiten van 23 april 2014, 16 mei 2014 en 22 oktober 2014 heeft het college besloten tot invordering van verbeurde dwangsommen ter hoogte van in totaal € 12.000,00. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat op 29 januari 2014, 1 maart 2014, 1 april 2014 en 1 mei 2014 van rechtswege dwangsommen van € 3.000,00 zijn verbeurd. [appellante] heeft deze invorderingsbeschikkingen bij brieven van 13 en 31 oktober 2014 betwist.” Een tijdsverloop tussen april en oktober gaat de bezwaartermijn van zes weken ruim te buiten.

Let wel: voorgaande zag op een betwisting gedurende één rechtsgang, te weten hoger beroep. Als bijvoorbeeld tijdens de beroepsprocedure een genomen invorderingsbeschikking niet wordt betwist maar pas in hoger beroep, dan zou ik menen dat je echt te laat bent.

Toch zou ik adviseren waar mogelijk maar altijd ruim op tijd een invordering te betwisten. Wellicht een symptoom van een overbezorgde advocaat, maar voorkomen is beter dan genezen.