Het leek zo mooi voor gemeenten om vooruitlopend op de Omgevingswet te experimenteren met de Crisis- en herstelwet (Chw). Maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft een dikke streep gezet. De Afdeling oordeelde in de uitspraak van gisteren, 3 febru​ari 2016, dat het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (het Uitvoeringsbesluit) deels onverbindend is.

De gemeente Culemborg is de ongelukkige gemeente waarvan het bestemmingsplan Spoorzone dat voorziet in de herinrichting van de stationsomgeving, sneuvelt. Waar ging het om en wat moet er nu gebeuren om het te herstellen?

Exceptieve toetsing van het Uitvoeringsbesluit

De Afdeling stelt in haar uitspraak vast dat het Uitvoeringsbesluit algemeen verbindende regels bevat. Tegen deze regels kan geen beroep worden ingesteld, maar deze regels kunnen wel aan de orde worden gesteld door middel van exceptieve toetsing van de bepalingen van het bestemmingsplan. Appellanten hebben gesteld dat de regels in het Uitvoeringsbesluit in strijd zijn met de Chw. Daar gaat de Afdeling vervolgens nader op in.

De termijn van mogelijkheid tot afwijking is niet gegeven

De Afdeling overweegt in rechtsoverweging 7.6 dat in artikel 2.4, derde lid, onder b van de Crisis- en herstelwet staat dat in het Uitvoeringsbesluit moet worden bepaald van welke planologische en milieuregels mag worden afgeweken én wat de ten hoogste toegestane tijdsduur van die afwijking of afwijkingen is. De Afdeling oordeelt dus dat gelet op het bepaalde in de Chw uit het Uitvoeringsbesluit duidelijk moet blijken hoe lang van de afwijkingen gebruik mag worden gemaakt.

Onverbindend en niet van toepassing

Vervolgens constateert de Afdeling dat de periode hoe lang van de afwijkingen in het tweede, zesde en zevende lid van artikel 7c Uitvoeringsbesluit gebruik mag worden gemaakt, daarin niet is opgenomen. De harde conclusie is dat nu er geen termijn voor het gebruik maken van de afwijkingen in het Uitvoeringsbesluit staat, aan het tweede, zesde en zevende lid van artikel 7c van het Uitvoeringsbesluit verbindende kracht moet worden ontzegd. Dat betekent dat deze bepalingen uit het Uitvoeringsbesluit niet door gemeenten toegepast kunnen worden en dat voor wat betreft het tweede lid "gewoon" de bepaling uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geldt.

Planperiode

De gemeente Culemborg had onder meer gebruik gemaakt van een afwijking van de normaal geldende planperiode van tien jaar. De gemeente had ingezet op een planperiode van twintig jaar, omdat het bestemmingsplan anders niet uitvoerbaar zou zijn.

De Afdeling zegt in deze uitspraak niet dat de planperiode van twintig jaar niet mogelijk zou zijn. Aan dit inhoudelijke oordeel komt de Afdeling niet toe. De Afdeling geeft aan dat nu in het Uitvoeringsbesluit niet is bepaald hoe lang gemeenten bestemmingsplannen mogen vaststellen met een langere planperiode dan tien jaar, de consequentie daarvan is dat de Wro-bepaling over een maximale planperiode van tien jaar blijft gelden. Omdat de gemeente zelf heeft gezegd dat het plan niet binnen tien jaar uitvoerbaar is, vernietigt de Afdeling het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

Aanpassing en herstel van het Uitvoeringsbesluit

Wat moet er gedaan worden om het Uitvoeringsbesluit wel de toets der kritiek te laten doorstaan? Het Uitvoeringsbesluit moet in ieder geval zo snel mogelijk worden aangepast.

Kanttekening hierbij is dat het lastig is dat in het tweede lid van artikel 7c Uitvoeringsbesluit wel al een tijdsbepaling staat, namelijk die periode van twintig jaar waar de gemeente Culemborg gebruik van wilde maken. Het lijkt, gelet op de uitspraak, voldoende te zijn om in te voegen dat gedurende bijvoorbeeld vijf jaar van deze bevoegdheid tot afwijking gebruik mag worden gemaakt. Daarmee verandert er inhoudelijk niets aan deze bepaling. Na de aanpassing zou wel weer gebruik gemaakt kunnen worden van een planperiode van maximaal twintig jaar.

In geval van andere normen uit artikel 7c Uitvoeringsbesluit is het wel denkbaar dat de herstelactie een inhoudelijke wijziging meebrengt. Indien een afwijking van de norm gedurende bijvoorbeeld vijf jaar is toegestaan op grond van het herstelde Uitvoeringsbesluit, moet deze afwijkende norm na ommekomst van die periode weer worden "teruggeschroefd" naar de eerdere en waarschijnlijk strengere norm. Dan verandert dus de inhoudelijke norm.

Overigens maken de gemeenten Almere, Alphen aan den Rijn, Amstelveen, Assen, Beuningen, Delft, Den Haag, Diemen, Eindhoven, Enschede, Helmond, Leudal, Muiden, Weesp, Veghel, Zaanstad en Zeewolde ook gebruik van de experimenteerbepaling van het Uitvoeringsbesluit. Hopelijk zijn deze gemeenten nog niet zover met hun bestemmingsplannen en kunnen zij wachten op de noodzakelijke herstelactie!